Het verzet tegen windmolens groeit. De sector heeft een oplossing

Windenergie

De sector wil omwonenden nu de mogelijkheid geven in een molen te investeren.

In Nederland geldt alleen een geluidsnorm, waardoor een windmolen al op 350 meter van een huis kan staan. Foto Luuk van der Lee / HH

Ze hebben namen als Tegenwind, WindNEE, Gigawiek en Kritisch Platform Windenergie. En ze verzetten zich tegen de bouw van windmolens. Vaak zijn het lokale organisaties die geen principiële bezwaren hebben tegen windenergie, maar wel tegen de bouw van windmolens bij hen om de hoek.

Dat verzet lijkt de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. Komt dat doordat in Nederland de plekken waar windmolens weinig overlast kunnen veroorzaken opraken? Of door de grootte van de molens, die ook op enige afstand van de bebouwde omgeving nog steeds voor veel hinder zorgen?

De Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA), de bracheorganisatie van de windmolensector, wil in reactie op het verzet de lokale bevolking in een vroeger stadium bij de plannen voor de bouw van windmolens betrekken. In een manifest dat deze donderdag verschijnt, bepleit NWEA bovendien dat windmolenbedrijven „nieuwe windprojecten op land voor 50 procent openstellen voor participatie door de omgeving, door burgers en bedrijven”.

Legitieme argumenten

Voor NWEA is dit een grote stap, maar noodzakelijk om het imago van wind op land te herstellen. In het verleden zijn fouten gemaakt, erkent de organisatie. Zowel door de overheid als door windmolenbedrijven. Zo ontstaat vaak pas onrust over een nieuwe windmolen als de vergunning al is verleend. De bedrijven verschuilen zich dan te gemakkelijk achter een bestemmingsplan dat keurig volgens de regels is gewijzigd. Protesterende burgers, die in die beginfase niet goed hebben opgelet, vinden daardoor zelden gehoor bij de rechter.

„De sector is lange tijd veel te technocratisch met de besluitvorming omgegaan”, vindt Arthur Vermeulen, directeur windenergie van de Raedthuysgroep. „Het enige wat we nodig hadden voor een windmolenproject, dachten we, was een goede plek en een vergunning.” Vermeulen beschouwt het manifest als „het begin van een antwoord” op de problemen. Raedthuys, dat in 1997 zijn eerste windmolen bouwde, met hulp van particuliere investeerders, betrekt de lokale bevolking al veel langer in een vroeg stadium bij een project. „We doen keukentafelgesprekken met betrokkenen nog voordat de plannen worden gemaakt”, zegt Vermeulen, die heel goed snapt dat mensen zich zorgen maken als er in hun buurt een windmolen verrijst.

Ik ga niet zeggen dat het niet vervelend is, maar het helpt als je mensen uitlegt dat de norm in Nederland is

Hij probeert de gevolgen dan ook niet te bagatelliseren, maar vindt wel dat ze soms worden uitvergroot. Neem de slagschaduw van draaiende wieken – een van de pijnpunten. „Ik ga niet zeggen dat het niet vervelend is, maar het helpt als je mensen uitlegt dat de norm in Nederland is dat een woning daar maximaal zes uur per jaar last van mag hebben.”

Ook qua geluid moeten windmolens voldoen aan strenge normen, zegt Vermeulen. „Het gaat om het vinden van een balans tussen wat je als samenleving wilt, namelijk duurzame energie, en wat je niet wilt, namelijk te veel overlast. De windsector vindt van zichzelf dat hij met iets goeds bezig is. Maar dat betekent niet dat je niet moet luisteren naar mensen met legitieme argumenten tegen een windmolen.”

Volgens het NWEA-manifest is windenergie, ook op land, onmisbaar om aan het klimaatakkoord van Parijs te voldoen. De sector wil in 2030 jaarlijks ongeveer 500 petajoule aan windenergie opwekken, circa 16 procent van de totale energiebehoefte in Nederland. Tot 2050 moet die hoeveelheid energie verdubbelen.

Bij ons gaat de champagne open als die subsidie niet langer nodig is

Uit een kostprijsanalyse van het onafhankelijke onderzoeksbureau Ecofys blijkt dat windenergie op land rond 2025 zonder overheidssteun zou kunnen. Voor de sector is dat belangrijk; het zou een deel van de kritiek op windmolens wegnemen. „Vaak wordt gezegd dat subsidie voor een windmolenbedrijf een gemakkelijke manier is om geld te verdienen”, zegt Vermeulen. „Maar bij ons gaat de champagne open als die subsidie niet langer nodig is.”

Vermeulen is blij met het voorstel om burgers en bedrijven in de buurt altijd de mogelijkheid te bieden om te participeren in de bouw van een windmolen. „Dat helpt bij de acceptatie. Zonder risico is het niet, het blijft tenslotte ondernemen. Maar gemiddeld is een rendement van 10 tot 12 procent haalbaar.”

Meepraten

Rob Rietveld, directeur van de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW), vindt die financiële participatie van ondergeschikt belang. Hij wil vooral „procesparticipatie”. Omwonenden moeten vanaf het begin meepraten en meebeslissen, vindt Rietveld. Of eigenlijk al daarvoor. „Iedere gemeente zou eerst met zijn bevolking een duurzaamheidsdoelstelling moeten bepalen”, zegt Rietveld. „Daarna kun je kijken hoe die het best te realiseren is. Als mensen zien dat hun buurt de minst slechte plek is voor een windpark, zullen ze dat gemakkelijker accepteren.”

Laten we eerst op basis van veel strengere normen proberen te bouwen met zo min mogelijk overlast

Ook pleit Rietveld voor aanscherping van de richtlijnen. In de meeste Europese landen zijn die een stuk strenger dan in Nederland, zegt hij. Hier geldt alleen een geluidsnorm, waardoor een windmolen al op 350 meter van een huis kan staan. In veel andere landen moeten molens minimaal 800 tot 1.000 meter van de bebouwde omgeving staan. „Laten we eerst op basis van veel strengere normen proberen te bouwen met zo min mogelijk overlast”, zegt Rietveld. „Als dan blijkt dat dat onvoldoende windmolens oplevert, kunnen we de normen altijd nog aanpassen.”

De NWEA ziet daar niet zoveel in. Uit de Monitor Wind op Land 2016 blijkt dat de doelstelling van 6.000 megawatt aan windenergie in 2020 niet wordt gerealiseerd. Strengere normen brengen het doel verder weg. Ook geluidsnormen vervangen door afstandsnormen is volgens de NWEA geen goed idee. „Met een afstandscriterium verdwijnt de prikkel om stillere molens te ontwikkelen”, zegt woordvoerder Marijn van der Pas.