Column

Emmanuel de Eerste ontmoet de economie

Wie nu verwacht dat de Europese integratie een nieuwe horizon tegemoet gaat, verwacht misschien iets te veel van Macrons ‘monarchale presidentschap’.

Champagne! Emmanuel Macron, de nieuwe Franse president, kan eind dit jaar een jubileum vieren. Het zal dan het tiende achtereenvolgende jaar zijn dat Frankrijk de begrotingsregels van de Europese Unie aan de laars lapt met een tekort van meer dan 3 procent van het bbp. Eind vorige week liet de Franse rekenkamer, de Cour des Comptes, weten dat Frankrijk afstevent op een begrotingstekort van 3,2 procent in 2017.

Omdat de officiële prognoses 2,8 procent is, betekent dit dat er bezuinigd zal moeten worden: in ieder geval zo’n 4,5 miljard euro om op 3 procent uit te komen. En het dubbele om weer op die gewenste 2,8 procent uit te komen. En zelfs dan wordt het hakken over de sloot, zonder veiligheidsmarge, mocht de economie in de rest van dit jaar tegenvallen. Die marge is geen luxe. In de achttien jaar dat de eurozone bestaat wist Frankrijk maar vijf jaar onder de 3 procent te blijven, waarvan driemaal in de eerste drie jaar.

Er wordt op dit moment veel verwacht van een opleving van de Frans-Duitse samenwerking – de motor achter de EU. En het klimaat is er goed (of beter: slecht) genoeg voor. De wereld verandert snel. Brexit zorgt voor nieuwe saamhorigheid op het continent. Daarbuiten heerst een ongekende dynamiek en onberekenbaarheid van de grote spelers in de wereldeconomie en -politiek. De G20 die plaatsvindt in Hamburg wordt buitengewoon interessant.

Zelfs op de financiële markten wordt veel verwacht van de herstart van de Frans-Duitse motor. De ‘spread’, het renteverschil, tussen Duitse en Franse staatsleningen is nog maar 0,34 procentpunt, nadat die vóór Macrons verkiezing nog het dubbele was.

Macrons nieuwe premier Édouard Philippe kondigde dinsdag een uitstel van de door nieuwe president beloofde belastingverlagingen aan om het begrotingsdoel voor 2017 en 2018 alsnog te halen, en bevroor de overheidsuitgaven op het huidige niveau. Hij zal wel moeten. Macrons vergezicht van een sterkere integratie in de eurozone, met grote gezamenlijke budgetten en uiteindelijk een heuse minister van Financiën moet aan Duitsland worden verkocht. En dat kan alleen door te laten zien dat Parijs verantwoordelijk, Duits, begrotingsgedrag kan vertonen.

Gaat dat lukken? Frankrijk is een geval apart. De rol van de staat is overweldigend, veel groter dan die in Italië of Spanje. Overheidsuitgaven zijn in Frankrijk volgens de OESO maar liefst 56,1 procent van de omvang van de economie – in Duitsland is dat 44,5 procent (Nederland 42,7 procent, Italië 49 procent en in Spanje maar 41,4 procent). De Franse staatsschuld is inmiddels opgelopen tot 98 procent van het bbp, tegen 65,3 procent voor Duitsland (en nog geen 60 procent voor Nederland). En hervormingen zijn er notoir lastig door te voeren. De Duitsers deden dat meer dan tien jaar geleden al, onder bondskanselier Schröder. Maar die had te maken met andersoortige, meedenkende vakbonden. De organisatiegraad in Frankrijk is opvallend laag, maar 8 procent van de werknemers aangesloten bij een bond. Maar die bonden zijn dan ook zeer assertief en wars van verandering. Vraag het maar na bij KLM.

En zo vergaand zijn Macrons hervormingen nu ook weer niet. Een van zijn beloften aan zijn kiezers: het handhaven van de pensioenleeftijd op slechts 62 jaar. Kan je op die basis samen met Berlijn de EU nieuw leven inblazen? We bevinden ons nog in de wittebroodsweken. Maar wie nu meteen verwacht dat de Europese integratie een nieuwe horizon tegemoet gaat, verwacht misschien iets te veel van Macrons ‘monarchale presidentschap’. Eerst zien, dus.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.