De Duitse baksteen bloeit

Architectuur

Tien Nederlandse architecten lieten zich voor een nieuw manifest inspireren door het werk van de Duitse architect Hans Kollhoff. Hij laat zien hoe architecten ook nu meer dan decorateurs kunnen zijn.

Ontwerp van Hans van der Heijden voor een woontoren in Werkbundstadt in Berlijn. Foto Luuk Kramer

‘Piraeus sloeg in als een bom’, is een van de eerste zinnen van Post Piraeus – over de bouwplaats en de stad, het ‘manifest’ van tien Nederlandse architecten dat woensdag werd gepresenteerd in debatcentrum Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Dit is hoogstens een beetje overdreven. Want toen Piraeus in 1994 uit de steigers kwam, maakte het grote, donkerbruine woongebouw in het voormalige oostelijk havengebied in Amsterdam diepe indruk op Nederlandse architecten.

Hoewel de zware kolos van de Duitse architect Hans Kollhoff (1947) in veel het tegendeel is van de ‘conceptuele’ Superdutch-architectuur van onder anderen Rem Koolhaas, werd Piraeus in Nederland toch het invloedrijkste gebouw in het Superdutch-tijdperk (1990-2010). Niet alleen raakte de zwart-bruine baksteen waarmee de gevels van Piraeus zijn bekleed, langdurig in de mode, maar ook is de sculpturale vorm van de gigant met zijn oplopende dak veelvuldig nagevolgd.

Voor Kollhoff zelf was Piraeus het begin van een groot oeuvre in Nederland, variërend van woontorens in Amersfoort en Rotterdam tot hoge ministeries in Den Haag. In de loop van de jaren is zijn werk, ook in Nederland, steeds klassieker geworden. Is Piraeus nog neo-expressionistisch, Kollhoffs Colonel, een groot kantoorgebouw in Maastricht uit 2005, heeft een klassieke colonnade gekregen. Hoewel dit de Duitse architect wegens ‘oneigentijdsheid’ op kritiek kwam te staan, werd ook zijn latere, neoclassicistische werk invloedrijk in Nederland.

Kantelpunt

Entree van het door Hans Kollhoff en Christian Rapp ontworpen Piraeusgebouw in Amsterdam. Foto Luuk Kramer

In Post Piraeus schrijven nu tien jonge en oudere Nederlandse architecten, onder wie Jacq. de Brouwer en Jan Peter Wingender, over de betekenis van Kollhoffs architectuur voor hun eigen werk. „Een kantelpunt waarna het denken over het maken van gebouwen en de stad opnieuw werd opgeladen”, noemen ze Piraeus in het voorwoord. Hierin geven ze ook de reden waarom ze zich hebben verenigd in Post Piraeus: hun vak staat onder druk en de rol van architect wordt steeds meer die van een decorateur die kant-en-klare gebouwen een omhulling mag geven. Er bestaat een kloof tussen de architectuur en de bouwcultuur, zo stellen ze vast, en Kollhoffs on-Nederlandse werkwijze kan die verkleinen.

Ook voor Hans van der Heijden, een van de initiatiefnemers van Post Piraeus, was Piraeus een eye opener. „Ik werkte in de Piraeus-jaren bij Mecanoo, en de baksteen lag ons, jonge architecten, zwaar op de maag”, vertelt Van de Heijden (1963) in zijn bureau in Amsterdam-Noord. „We gaven de voorkeur aan stucwerk en golfplaat. Het was de tijd van het onderwijzersmodernisme: tijdens onze opleiding waren we doodgegooid met de helden van het Nieuwe Bouwen, zoals Le Corbusier en Berthold Lubetkin. Gebouwen ouder dan zestig jaar hadden we nooit bestudeerd. Met Piraeus maakte Kollhoff een gebouw dat aansloot op het oude Duitse expressionisme en de Amsterdamse School. Zo bracht hij ons in aanraking met een verdrongen en vergeten traditie.”

Alles beter

Dat de traditionele Nederlandse baksteenarchitectuur ook in het digitale tijdperk eigentijds is, was niet de enige les van Piraeus. Met zijn kolos wist Kollhoff zich ook in Nederland te onttrekken aan de marginalisering van zijn vak, vindt Van der Heijden. „Piraeus is een gebouw dat, met tunnelbekistingen en zo, op dezelfde industriële wijze is gemaakt als andere Nederlandse woningen. Maar het zag er veel beter uit dan gewoonlijk. De stalen ramen, de houten entrees, het metselwerk – alles is beter gemaakt. Piraeus is een gebouw dat met een heel vaste architectenhand is gemaakt. Ook nu, na 23 jaar, ziet het er nog geweldig uit – en dat kun je niet van veel gebouwen uit die tijd zeggen.”

Veel architecten klagen over de verregaand geïndustrialiseerde woningbouw in Nederland die hen heeft gereduceerd tot gevelontwerpers. „Maar Kollhoff is juist vol lof over de Nederlandse bouwwereld. En hij laat zien dat je ook met de expertise en het vakmanschap van Nederlandse bouwers goede, duurzame architectuur kunt maken.” Voorwaarde hiervoor is wel dat een architect kennis heeft van de bouw.

„Toen ik vijfentwintig jaar geleden bij Mecanoo werkte, had het bureau de houding van ‘wij’ tegen ‘zij’: wij, de jonge, moderne architecten tegen de bouwers en de opdrachtgevers. We maakten veel ruzie op de bouwplaats. Ik vond dat een onvruchtbare houding en Kollhoff heeft laten zien dat je met een andere werkwijze juist gebruik kunt maken van de Nederlandse bouw.”

Dat juist een Duitse architect in de Nederlandse ‘bouwcultuur’ voorbeeldige gebouwen heeft gemaakt, heeft te maken met verschillen in de positie van de architect in Nederland en Duitsland. Van der Heijden: „In Nederland is de bouwer eindverantwoordelijk voor een gebouw, hij geeft de garanties. In Duitsland is de architect juist de eindverantwoordelijke. Hij is degene die bepaalt hoe het gebouw wordt geconstrueerd en welke materialen worden gebruikt. Dat vereist een grote kennis van de bouwcultuur en bevordert een goede samenwerking tussen architect en bouwer.”

Ontwerp van het Piraeusgebouw in Amsterdam Foto Luuk Kramer

Metselen

Zelf heeft Van der Heijden de lessen van Kollhoff al toegepast in een onlangs opgeleverde stadsvernieuwingsbuurt in Den Haag Zuid-West. „Deze buurt bij een mooie bakstenen kerk in de stijl van de Bossche School bestaat grotendeels uit fabriekshuizen. Daar heb ik met een paar simpele ingrepen gezorgd voor variatie en verrijking. En dat heb ik niet door ruzie voor elkaar gekregen, maar door de bouwer en opdrachtgever te overtuigen. Daarbij kom je voor aangename verrassingen te staan. Zo wilde ik bakstenen boogjes boven de voordeuren. Dat bleek geen probleem. Op de bouwplaats liepen leerlingen rond die zich mochten uitleven in het metselen van de boogjes.’

Mede dankzij de steun van inmiddels opgeheven instanties als het Nederlandse Architectuurinstituut werd Superdutch in de jaren na 1990 een succesrijk exportproduct. Maar tot het dichten van de kloof tussen de architectuur en de bouwcultuur hebben de gloriejaren van de Nederlandse architectuur niet geleid, stelt Van der Heijden vast.

Post Piraeus moet hierin verandering brengen. „Het idee voor Post Piraeus is het gevolg van de deelname van drie van de betrokken architecten vorig jaar aan een prijsvraag voor een woongebouw in Berlijn”, legt hij uit. „Die was georganiseerd door de Werkbund, de organisatie die in 1907 werd opgericht om de vormgeving en architectuur in het industriële tijdperk te verbeteren. Nog steeds is de Werkbund actief in veel Duitse steden en we dachten: zoiets heeft de Nederlandse bouw ook hard nodig. Een naam hadden we al gauw verzonnen: Werklust. Maar dat zet je natuurlijk niet binnen een jaar op poten, zeker niet nu het Architectuurinstituut is opgedoekt. Post Piraeus is een begin, ik hoop dat het uitgroeit tot een platform waar architecten, bouwers, opdrachtgevers en critici werken aan een verrijking van de bouwcultuur.”