Cultuur

Interview

Interview

Foto's Frank Ruiter

Astrid Sy (29) houdt de Joodse geschiedenis in Nederland levend

Lunchinterview Voor Yad Vashem, het Israëlische museum over de Jodenvervolging, bekijkt ze elk snippertje beeldmateriaal uit de Tweede Wereldoorlog. „Ik moet dit doen. Zo voelt het.”

Een ragfijn gouden neusringetje in een onopgemaakt gezicht, een ruimvallende blouse die verhult dat ze nog geen maand geleden moeder is geworden, strak samengebonden wilde krullen. Astrid Sy is historicus, of verhalenverteller, zoals ze zelf zegt. En alleen al door wie ze is en wat ze doet, kan je een paar dingen zeggen. Eén: je hoeft niet van Nederlandse komaf te zijn om te verhalen over de Nederlandse geschiedenis (ze is de dochter van een Senegalese vader en een Fins-Zweedse moeder). Twee: om de herinnering aan de Holocaust levend te houden, zijn Joodse wortels geen voorwaarde (ze is niet Joods). En: je hoeft niet oud te zijn om te vertellen over vroeger (ze is 29).

We hebben afgesproken bij de Plantage, een restaurant in Amsterdam. We blijven op het terras zitten, want tussen de regendruppels door schijnt heus wel wat zon. De moeder van haar vriend past – voor het eerst – op zoontje Pelle. Vlak voor hij werd geboren, rondde Astrid Sy haar boek af dat volgende week verschijnt. Een kinderboek met in de hoofdrol een Joodse man van 92 en Laila, een Syrisch meisje van 11. In De brieven van Mia ontdekt Laila het oorlogsverleden van de oude man en samen met hem gaat ze op zoek naar zijn jeugdliefde van toen. Hij leeft in de veronderstelling dat zij, net als de rest van zijn en haar familie, is gedeporteerd en vermoord. Hun zoektocht leidt naar de Amsterdamse Jodenbuurt, kamp Westerbork en een dorpje in de buurt van Auschwitz.

Om de herinnering aan de Holocaust levend te houden, zijn Joodse wortels geen voorwaarde

Het is een verzonnen verhaal, zegt Astrid Sy. „Maar het had zó kunnen gebeuren.” Zij hoort en leest die verhalen elke dag, dat is haar werk. Ze is onderzoeker voor Yad Vashem, het Israëlische museum waar alles van en over de Jodenvervolging wordt verzameld. Vijf jaar geleden kwam ze er, bij toeval, te werken. „Ik studeerde middeleeuwse geschiedenis. Dat was voor mij the real thing. Moderne geschiedenis, daar had ik niets mee. De Tweede Wereldoorlog? Vond ik niet zo interessant.” Zij was geïnteresseerd in het Midden-Oosten, in hoe moslims, joden en christenen elkaar daar eeuwenlang om beurten vervolgden. Ze bezocht Syrië, Jordanië en zocht vooral naar hoe en waar de drie religies elkaar vonden. „Want mensen leefden er ook gewoon naast en mét elkaar.” Daarna ging ze naar Israël, stage lopen bij het Holocaustmuseum.

Dagboeken, brieven, briefjes

Vanuit de hele wereld krijgt Yad Vashem persoonlijke bezittingen opgestuurd. Dagboeken, sieraden, brieven en briefjes, foto’s en filmmateriaal. „Het onderzoeksmateriaal stroomt er elke dag nog binnen. En ik was flabbergasted. Al die persoonlijke verhalen. De mensen die je leert kennen door hun dagboeken te lezen en hun fotoboeken te bestuderen. Soms kost het je weken om uit te zoeken wie ze zijn en waar ze zijn vermoord. Ik vond het zwaar, ik trok het me heel persoonlijk aan.”

De familie van Klaartje Kerkhof (88) werd onderscheiden door Yad Vashem. „Gek toch, dat die oorlogstijd na zoveel jaar emoties oproept.”

Nu doet ze al een paar jaar, als een soort buitenpost van Yad Vashem, onderzoek naar filmmateriaal uit de Tweede Wereldoorlog. Ze zoekt stadsarchieven, in bibliotheken, in reclamefilms, bij mensen thuis. „Ik kijk dagenlang meters aan film, op zoek naar dat ene beeld.” Waar zoekt ze naar? „Elk spoor van het Joodse leven van destijds. Laatst was ik in Brielle. Dan bekijk ik eerst beelden van de synagoge daar, die prent ik in mijn geheugen. Zodra ik die synagoge op beeldmateriaal zie verschijnen, weet ik dat ik iets interessants kan tegenkomen.” Laatst bekeek ze straatbeelden van Amsterdam kort na de bevrijding. „Je ziet een man de stoep van de Hollandse Schouwburg vegen.” Vandaaruit werden gevangen genomen Joden op transport gezet naar de concentratiekampen. „Om iets te vinden, moet je goed weten wat je zoekt. De vegende man is kaal. Een gestrafte NSB’er vermoedelijk.”

Van de mensen die de oorlog overleefden, verzamelt ze de getuigenissen. „De Joodse dametjes van 94 die ik regelmatig bezoek, reken ik tot mijn beste vrienden.” Ze lacht. „Het moet nu gebeuren. Nu ze er nog zijn. En ík moet het doen. Zo voelt het.”

Astrid Sy: „Het is de elite van wie we de geschiedenis het beste kennen.”. Foto’s Frank Ruiter

Ze werkt ook voor de Anne Frank Stichting. Ze geeft, tot diep in de zuidelijke staten van Amerika, trainingen over de Holocaust, bezoekt scholen om jongeren te vertellen over de Tweede Wereldoorlog, ze geeft rondleidingen in het huis waar Anne Frank met haar familie was ondergedoken. Al jaren is een terugkerende klacht op scholen dat ‘de jeugd’, en dan vooral de jeugd met een islamitische achtergrond, nul belangstelling heeft voor dat verleden, niet voor dat van Nederland en al helemaal niet voor de Holocaust. Maar daar heeft zij geen last van? „Jawel”, zegt ze. Ze praat vaak genoeg met jonge mensen die zich „totaal niet verbonden” voelen met Nederland. „Ze zijn hier misschien geboren, maar daar houdt het voor hen op. Geschiedenis is saai, lang geleden, en gaat over mensen met een andere achtergrond.” Kansloos dus? Niet voor Astrid Sy. Zij koppelt groepjes Marokkaanse vmbo-jongens aan ‘haar’ Joodse dametjes. En nee, daar heeft vooraf niemand zin in en iedereen roept dat het toch niet werkt. „Maar het werkt dus wel. Door elkaars persoonlijke verhalen te kennen, zie je dat er herkenningspunten zijn.” De geschiedenis van de Joden toen en moslims nu zijn niet vergelijkbaar. „Maar de onderliggende emoties zijn dat wel. Angst voor uitsluiting, verdriet, miskenning, boosheid.”

Youssou N’Dour

De Holocaust, wordt vaak gezegd, zou een verplicht onderdeel moeten zijn van elke inburgeringscursus. Is dat zo, moeten nieuwe Nederlanders op de hoogte zijn van ‘onze’ oorlog van zeventig jaar geleden, terwijl die van hen soms nog voortduurt? „Nee, niet per se. Het heeft alleen zin als je op zoek gaat naar wat ons als mensen verbindt. Als je praat met mensen die weten hoe het is om opgesloten te zitten, hoe het is om niet vrijuit te mogen praten, om te vluchten en je familie achter te laten.” Zo kwam ze op het idee voor haar kinderboek over de Joodse man en een Syrisch meisje. „Ik heb er geen moeite mee die twee aan elkaar te koppelen. Ik doe niet anders dan uitersten verbinden. Ik ben geboren uit twee uitersten.”

Nico van Hasselt (93) stal een revolver van een Duitse soldaat in de Tweede Wereldoorlog. „Ik was te jong om bang te zijn.”

Ze is, in Nederland, grootgebracht door haar Zweeds-Finse moeder, die haar meenam op haar dienstreizen voor haar werk bij Buitenlandse Zaken. Haar vader behoort tot de Toucouleur-stam die woont op het grensgebied tussen Mauretanië en Senegal. „Mijn moeder werkte daar op de ambassade.” Tot haar tweede woonden ze daar. Toen haar ouders scheidden, ging ze met haar moeder naar Nederland. Haar vader heeft ze nog een keer of vijf gezien. „Voor mij is hij een mysterie.” Maar met de zoon en twee dochters die hij na zijn huwelijk met een Franse vrouw kreeg, kan ze het goed vinden. „De oudste vond ik zeven jaar geleden op Facebook. De jongste doet dit jaar eindexamen, straks studeren alle drie mijn zusjes in Parijs.” Met Afrika of de geschiedenis van het land van haar vader heeft ze weinig, zegt ze. „Ze zijn er genoeg, hardcore Senegal-fans. Met trommelen en dansen en elk jaar daarheen. Ik heb het wel geprobeerd, hoor. Stapte ik op het vliegtuig, de hele vlucht luisteren naar Youssou N’Dour [Senegalese zanger] om in de sfeer te komen. Maar toen was ik er, voelde ik …niks.” Volgende week gaat ze, samen met haar oma van 92 en haar pasgeboren zoontje naar hun familiehuis in Karelië, een gebied bij de Fins-Russische grens.

Ze heeft iets met de Britse koningshuizen (ze kent ze uit haar hoofd), de Russische Romanovs. „Het is de elite van wie we de geschiedenis het beste kennen. Dat zijn de verhalen die belangrijk genoeg werden gevonden om op te schrijven en door te geven. Dat geldt net zo goed voor de geschiedenis van WO II. Wie vluchtten er als eersten? Wie hadden er geld voor een fotocamera en filmapparatuur? Van het arme Joodse leven is nauwelijks iets vastgelegd.” De geschiedenis wordt door winnaars geschreven, laat ze de Syrische Laila in haar boek zeggen. „Wie bepaalt wat we over het verleden weten? Een Syrische jongen van een jaar of twintig zei het tegen me. Hij was de oorlog ontvlucht en voelde zich de verliezer. Hij vroeg zich af of zijn verhaal straks nog zou worden verteld.”

In De brieven van Mia staat de vader van Laila die was opgepakt in Syrië ineens voor haar neus in het asielzoekerscentrum in Almere. Kun je dat wel maken, zo’n eind-goed-al-goed-einde? „Ik kon hem niet laten sterven. Na het verhaal over de Tweede Wereldoorlog, en al die mensen die al dood waren, kon ik dat niet opbrengen. Het is wel een kinderboek, hè. Je moet rekening houden met wat een kinderbrein aan ellende kan verdragen.” Ze heeft van de Holocaust een avonturenverhaal gemaakt, met toevallige en magische ontdekkingen. „Uit alle verhalen die ik ken, heb ik stukjes gebruikt. Dit had waargebeurd kunnen zijn.” Maar, aarzel ik… Zij vult aan: „Of het mag? Een mooi verhaal maken over de Holocaust?” Ze denkt hardop na. „Niks zo beladen, zo complex en pijnlijk als de geschiedenis van de Holocaust. Ik weet hoe makkelijk je mensen er boos mee maakt, of kwetst.” De vraag is, mag je aan de haal gaan met andermans historie, in dit geval de Shoa? En: moet die geschiedenis onderdeel zijn van je verleden om die te mogen doorgeven? „Mensen mogen het moeilijk vinden wat ik met hun geschiedenis doe. Maar ik wil niet te voorzichtig zijn, ik heb het recht de verhalen op mijn manier te vertellen aan mensen die er misschien eerder niet naar wilden luisteren. Ik probeer er iets goeds mee te doen.”