Column

Zo was het. Denk daar maar over na

Joyce Roodnat laat zich door een superieure foto van Gordon Parks even verleiden tot dagdromen. Totdat de verraderlijke realiteit van het beeld doordringt.

Alle foto’s van Gordon Parks (1912-2006) zijn sterk. Zo kalm, terwijl wát hij fotografeerde – het leven van zwarte Amerikanen in de jaren vijftig en zestig – he-le-maal niet kalm is. Maar die ene is een upper cut. Ik zie een vrouw en een meisje op straat, ze dragen feestjurken. Die van de vrouw is zachtblauw, het meisje draagt zachtgeel. Het is een superieure, verraderlijke foto. Even verleidt hij tot dagdromen. Iets met vroeger en mamma die op de naaimachine…. Een fractie van een seconde later slaat hij me lens. Want dan pas lees ik het neon boven hun hoofden. De rode letters spellen hatelijk ‘colored entrance’ en de blauwe pijl wijst naar een ingang. De mooie vrouw en het mooie kind zijn zwart. Dit is Alabama, in 1956, en ze worden apart gezet.

Department Store Mobile Alabama 1956. Foto Gordon Parks, courtesy The Gordon Parks Foundation

Deze foto toont een rotstreek in een geperverteerde wereld. En ook al is het meer dan een halve eeuw geleden en sterft het op de grandioze Parks-expositie in het FOAM in Amsterdam van vergelijkbare beelden, bij deze foto geneer ik me dat dit bestond, dat dit bestaat, dat ik dit zie.

Kunst is goed in verhevigde realiteit. Terwijl je weerloos geniet van een kunstwerk, krijg je het onverhoeds voor je kiezen: zo was het en niet anders. Denk daar maar over na.

Zo was het dus eind jaren dertig om gouvernante te zijn en een beetje te stinken. Je las het op de gezichten van je pupillen, maar je kon je niet veroorloven om je kleren te wassen. Het is om zulke details dat ik Lichte jaren verslind, deel 1 van de autobiografische Engelse gegoede-familieroman van Elizabeth Jane Howard. Ik had van die schrijfster nog nooit gehoord, wat dom is want ze is beroemd en geweldig. En dood, maar dat is overkomelijk, want er zijn nóg drie delen. Aha, dus zó was het om een nette upperclass mevrouw te zijn en te weten dat je seks maar niks hoorde te vinden. Niettemin moest je je wél naar believen laten bestijgen door een echtgenoot die een goeie partij was, maar niet noodzakelijk een lekkere geliefde. Kom daar maar eens om in Downton Abbey.

En zó was het in de 19de eeuw om naar intimiteit te hunkeren. De legendarische ideeënroman Hilda van Suylenburg (1897) van Cécile de Jong van Beek en Donk is dankzij fin-de-siècle-hartstochteling Sander Bink gelukkig opnieuw uitgegeven, in de serie Rondom Couperus. Het is een rijk boek, op locatie in chic Den Haag en vol doorkijkjes die Couperus liet liggen. Ik word gegrepen door de kilte waartoe de conventies vooral de vrouwen veroordeelden. Bladzij na bladzij ervaar ik ontsnappingsroutes naar lichamelijkheid, de schrijfster documenteerde ze in fantastische scènetjes. Vrouwen houden elkaars hand vast, adoreren, omhelzen, kussen elkaar. En niemand die het doorheeft. De lezer wel.