Opinie

May maakt het zich onnodig moeilijk

Die harde Brexit is niet onvermijdelijk, betoogt Beperking van immigratie uit EU-landen kan best zonder uit de interne markt te stappen.

Illustratie Hajo

Westminster heeft een geheim: premier Theresa May en Labour-leider Jeremy Corbyn willen allebei de gematigde tegenstanders van een ‘harde’ Brexit in hun partij de voet dwarszetten. En ze hebben allebei hetzelfde alibi ontdekt: omdat we de regels inzake het vrije verkeer niet zouden kunnen veranderen zonder de interne markt te verlaten, hebben we geen andere keuze dan helemaal uit de interne markt te stappen.

Dat klinkt keurig – en democratisch. Want er zijn maar weinig mensen die zouden ontkennen dat bij het EU-referendum van vorig jaar immigratie, en het vrije verkeer binnen de EU in het bijzonder, een hoofdrol speelden. De EU-leiders beklemtonen geregeld het belang van de ‘vier vrijheden’: het vrije verkeer van goederen, kapitaal, diensten en arbeid. En zo ontstaat een vanzelfsprekende logica: de wil van het Britse volk moet gehoorzaamd worden; het vrije verkeer binnen de EU moet ophouden; het lidmaatschap van de interne markt moet worden ingetrokken.

Afzonderlijke lidstaten hebben meer ruimte om restricties door te voeren in de vrijheid van verkeer dan meestal wordt aangenomen

Deze redenering is zelfzuchtige onzin. De leiders van de twee grootste Britse partijen – dankzij hun euroscepcis in elk geval op één punt verenigd – geven bewust een verkeerde voorstelling van de regels voor vrij verkeer binnen de EU. Volgens hen vormen ze een onveranderlijk EU-beginsel. Dat is niet zo. Volgens hen kan dit verkeer niet worden beperkt. Dat kan wel. Volgens hen zal de rest van het blok niet zwichten voor de Britse eisen tot verandering, maar dat is al eerder gebeurd.

Als May en Corbyn maar iets vindingrijker zouden zijn, zou zich een venster openen voor een doorbraak in de Brexit-gesprekken: een waarbij het Verenigd Koninkrijk niet alleen in de interne markt zou kunnen blijven, maar ook belangrijke veranderingen in het vrije verkeer zou kunnen bewerkstelligen.

Het recht op vrij verkeer richtte zich oorspronkelijk alleen op mensen die werk zochten. Pas in 1990 introduceerde de toenmalige Europese Economische Gemeenschap een recht op vrij verkeer voor gepensioneerden, studenten en zelfstandigen, mits ze zichzelf zouden kunnen bedruipen.

Lees ook over de economische gevolgen van Brexit: een jaar na de Brexit-nacht en de Britse consument wordt armer.

Het Verdrag van Maastricht (1992) ging nog weer een stap verder en introduceerde een ‘EU-burgerschap’. Vervolgens kwamen er gedetailleerde bepalingen om te waarborgen dat werknemers en hun gezinnen van de ene lidstaat naar de andere konden verhuizen zonder hun sociale zekerheid te verliezen.

Het beginsel van het vrije verkeer is dus in de loop der tijd geëvolueerd. De economieën van Europa, en vooral de Britse, hebben er baat bij gehad. De afgelopen jaren wordt het vaak in verband gebracht met de gezamenlijke munt. De logica van het vrije verkeer in zijn zuiverste vorm gaat het meest op voor de landen van de eurozone, omdat het vrije verkeer van personen een muntunie helpt om de starheid van één monetair beleid te verzachten. Maar dat verkeer is minder noodzakelijk voor de landen buiten deze muntunie.

Ruimte voor restricties

De kern is dat afzonderlijke lidstaten meer ruimte hebben om restricties door te voeren in de vrijheid van verkeer dan meestal wordt aangenomen. Zo deporteren de Belgische autoriteiten met harde hand EU-burgers die geen werk hebben en zichzelf niet kunnen onderhouden. Onder bestaande EU-wetgeving zouden de Britse autoriteiten hetzelfde kunnen doen met EU-burgers die na zes maanden er niet in geslaagd zijn om werk te vinden.

Om toegang te krijgen tot de zorg in Spanje is registratie bij de sociale instanties verplicht, waarbij je een identiteitsdocument en een lokaal woonadres moet laten zien. En in een poging om nationale loonakkoorden te beschermen proberen de Duitse autoriteiten de bouw en andere sectoren strenger af te schermen voor andere EU-burgers.

Lees ook: de Britse spierballen over visserij is een voorbode voor de Brexit. Vissers vrezen dat ze bij de Brexit nog veel meer kwijtraken.

Verschillende Europese leiders hebben me verteld hoezeer het ze ergert dat Britse politici hen de schuld geven van een besluit dat in Westminster is genomen en niet in Brussel: het openstellen, in 2004, van de Britse arbeidsmarkt voor werknemers uit Midden- en Oost-Europa. Met Britse uitkeringen zonder premieplicht, de onvoorwaardelijke toegang tot de zorg en het ontbreken van administratieve controle op een verblijfplaats, is het Verenigd Koninkrijk veel toegeeflijker dan andere Europese landen, zeggen ze.

Toen David Cameron begin 2016 meer flexibiliteit eiste in het regime voor vrij verkeer, gaf de EU toestemming om voorzieningen voor EU-burgers te beperken. Een betrokken EU-functionaris legde me uit dat Europese regeringen vorige zomer verwachtten dat premier May zou vragen om verdergaande revisie van de vrijheid van verkeer.

Zo’n initiatief kwam er niet. De Conservatieven – en nu ook Labour – sluiten zich liever op in een standpunt waarbij ze zichzelf economisch in de weg zitten.

Er is een duidelijke oplossing: met inschikkelijkheid en een beetje fantasie zouden EU-regeringen kunnen instemmen met een ‘noodrem’ op het vrije verkeer van EU-burgers. Door toe te staan dat regeringen zelf quota kunnen opleggen en het aantal werkvergunningen kunnen vaststellen bij een ongewoon hoge immigratie vanuit andere EU-landen (vergelijkbaar met de maatregelen die Cameron voorstelde).

Het is nog niet te laat om terug te deinzen voor het ravijn van een harde Brexit. Het is mogelijk om deelname aan de vrije markt te combineren met een hervormd regime voor vrij verkeer.