NRC checkt: ‘De VVD was voorvechter van het homohuwelijk’

Dat zei VVD-leider Mark Rutte vorige week in een debat in de Tweede Kamer over de formatie.

Frits Bolkestein, hier op archiefbeeld uit 2010, was in zijn tijd als partijleider geen voorstander van invoering van het homohuwelijk. Foto ANP / Valerie Kuypers

De aanleiding

PvdA-leider Lodewijk Asscher noemt het mogelijke nieuwe kabinet van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie al plagerig „rechts met den Bijbel”. In een Kamerdebat over de formatie vroeg hij VVD-leider Mark Rutte vorige week hoe de premier met deze samenstelling van partijen zijn wens gaat vervullen om „links en rechts” te verbinden. Rutte zei vervolgens dat de VVD een centrum-rechtse partij is, maar ook „een heel linkse partij” op het gebied van immateriële zaken. De VVD was volgens Rutte „op grond van liberale principes voorvechter van zaken als het homohuwelijk, euthanasie en abortus”. We checken of het klopt dat de VVD altijd een voorvechter van het homohuwelijk was.

Waar is het op gebaseerd?

Rutte noemde in het debat de liberale principes van de VVD als reden voor de veronderstelde steun van zijn partij voor het homohuwelijk, maar maakte dat verder niet concreet. Zijn woordvoerder zegt te weten „dat de VVD altijd pleitbezorger is geweest van het huwelijk van gelijk geslacht”. Zij zegt Rutte niet om een toelichting te kunnen vragen, „omdat hij druk is met de formatie”.

En, klopt het?

Een ‘voorvechter’ is volgens de Van Dale „iemand die strijdt voor een goede zaak”. In dit geval gaan we op zoek naar bewijs dat de VVD als partij gestreden heeft voor de invoering van het homohuwelijk, wat Rutte in dit geval als de goede zaak beschouwt. Daarbij kijken we naar hoe de VVD zich heeft opgesteld toen het homohuwelijk in het parlement aan de orde kwam.

De eerste keer dat in de Tweede Kamer werd gestemd over het homohuwelijk was in april 1996, toen PvdA en D66 een motie indienden die het kabinet-Paars I (VVD, PvdA, D66) opriep het wettelijk trouwverbod voor mensen van gelijk geslacht op te heffen. De VVD-fractie, waar het homohuwelijk een ‘vrije kwestie’ was, stemde verdeeld over die motie: veertien Kamerleden waren voor, veertien tegen. Fractievoorzitter Frits Bolkestein, destijds politiek leider van de VVD, was een van de tegenstanders en verklaarde na afloop het belangrijk te vinden „dat Nederland niet uit de pas loopt met staten waarmee wij verdragen hebben die op het huwelijk zijn gebaseerd. Openstelling van het huwelijk voor homo’s zou in het buitenland niet begrepen worden en zou ons isoleren”. De VVD-fractie was destijds dus diep verdeeld en niet bepaald een voorvechter.

In april 1998 stemde de Kamer opnieuw over het homohuwelijk, nadat de door het kabinet ingestelde commissie-Kortmann had geoordeeld dat het huwelijk kon worden opengesteld voor homoparen. Een motie van de PvdA die het kabinet opriep voor 1 januari 1999 met een wetsvoorstel te komen, werd mede ondertekend door D66, GroenLinks en VVD. Toch stemde de VVD-fractie opnieuw verdeeld, dit keer met zeventien fractieleden voor en twaalf tegen, inclusief partijleider Bolkestein.

In het verkiezingsprogramma voor de verkiezingen van mei 1998 had de VVD geen standpunt over het homohuwelijk opgenomen. Na de verkiezingen legde Bolkestein zich neer bij het meerderheidsstandpunt van zijn fractie en sprak de VVD met de PvdA en D66 af het homohuwelijk te regelen. De Wet openstelling huwelijk werd in september 2000 door de Tweede Kamer aangenomen en twee maanden later door de Eerste Kamer. Dit keer stemden de VVD-fracties in beide Kamers unaniem voor.

Conclusie

Hoewel de VVD-fracties in de Tweede en de Eerste Kamer uiteindelijk unaniem instemden met het homohuwelijk, was de partij er niet vanaf het begin eensgezind een voorstander van. Een voorvechter kun je de VVD daarom niet echt noemen. We beoordelen de stelling als grotendeels onwaar.