Eerlijke textiel? Dat mogen bedrijven nu gaan laten zien

Convenant

Wat doen Nederlandse bedrijven nu concreet om arbeidsomstandigheden te verbeteren? Vanaf nu is daar ook controle op.

Foto Asim Hafeez/Bloomberg News

Nederlandse winkelketens en textielbedrijven zeggen al jaren dat ze de productie van kleding eerlijker willen maken. Bij het vorig jaar gepresenteerde ‘convenant duurzame kleding en textiel’ hebben zich nu 64 bedrijven aangesloten – ongeveer 40 procent van de Nederlandse textielmarkt. Onder andere De Bijenkorf, C&A, WE Fashion en Zeeman doen mee. Maar vanaf deze week wordt ook beoordeeld wat deze bedrijven concreet gaan doen om de arbeidsomstandigheden en duurzaamheid in hun productie te verbeteren.

De bedrijven die meedoen aan het convenant hebben zich verplicht om in het eerste jaar een plan van aanpak te schrijven, zegt Jef Wintermans, coördinator van het convenant bij de Sociaal-Economische Raad (SER). De deadline was afgelopen vrijdag.

Het onafhankelijk secreatriaat bij de SER, vijf man sterk, gaat de komende maanden de verbeterplannen bestuderen en beoordelen. Bedrijven die te weinig doen, krijgen ruim de tijd om aanpassingen te maken. Maar uiteindelijk moeten ze zich aan hun afspraken houden. Doen ze dat niet, dan kunnen ze uiteindelijk uit het convenant worden gezet en dat is niet goed voor de reputatie. Wintermans: „Ik denk dat bedrijven die hun handtekening onder het convenant hebben gezet niet op die manier in de krant willen komen.”

Hoe ambitieus moeten die verbeterplannen zijn? Daarover zijn geen harde afspraken gemaakt in het convenant. De plannen worden beoordeeld op „redelijkheid en billijkheid”. „Dat klinkt vaag en algemeen”, erkent Wintermans, „maar het idee is dat een groot bedrijf bijvoorbeeld meer kan doen dan klein bedrijf”. Een textielbedrijf dat vorig jaar vooral leverde aan V&D en Miss Etam – die allebei failliet gingen – zal vooral bezig zijn met overleven en wordt dus milder beoordeeld.

Beperkt budget

Het secretariaat van de SER gaat niet de daadwerkelijke situatie in fabrieken controleren. „Dat is niet mijn rol en daar heb ik ook het budget niet voor”, zegt Wintermans. Maar bij het convenant zijn veel partijen aangesloten die wél zicht hebben op de praktijk, zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken en hulporganisatie Solidaridad. „Zij houden ons scherp en zorgen ervoor dat wij hier geen zoete broodjes kunnen bakken met mooie verhalen.”

Bedrijven en andere organisaties kunnen elkaar helpen bij de verbeteringen. Voor een klein kledingmerk is het moeilijk om een textielfabrikant te dwingen tot bijvoorbeeld salarisverhogingen, maar samen is een vuist maken makkelijker. En Buitenlandse Zaken kan wellicht met Bangladesh gaan praten over het minimumloon.

De bedrijven hebben ook in kaart gebracht bij welke naaiateliers hun kleding gemaakt wordt. Als straks ergens een misstand ontdekt wordt, kan Wintermans direct zien of een van de aangesloten bedrijven daar zaken mee doet. Daarna kan hij volgen wat dat bedrijf eraan gaat doen.

Het is wel duidelijk wat er mis is. Het is nu tijd voor actie

De productielocaties zijn ook openbaar gemaakt, maar zonder de vermelding welke bedrijven bij die fabriek produceren, omdat dat bedrijfsgevoelige informatie is. Dat vindt Tara Scally, woordvoerder van de stichting Schone Kleren Campagne, onbegrijpelijk. „Sommige merken zetten nu al op hun website waar hun kleding gemaakt wordt: H&M, C&A, Nike, Adidas, Gstar. Zij laten zien dat dat best mogelijk is.”

De afspraken uit het convenant vindt Scally te weinig en te laat. Ze vindt het „bizar” dat de bedrijven nu alleen nog maar verbeterpunten in kaart hebben gebracht. „Het is wel duidelijk wat er mis is. Het is nu tijd voor actie.” In de fabrieken waar kleding in elkaar wordt genaaid zijn vooral de lonen een probleem, zegt Scally. „Die zijn te laag om van te leven.”

De afspraken zijn een „stap in de goede richting”, maar wel „een kleine stap” aldus Scally. „Het was beter geweest als ze meteen iets stevigs hadden neergezet.”