Modemerken maken ateliers bekend, willen misstanden voorkomen

Sociaal Economische Raad (SER)

Na het kledingconvenant, een gevolg van de instorting van een naaiatelier in Bangladesh, maken modemerken een lijst bekend van ateliers.

In een poging hun productieproces inzichtelijk te maken hebben tachtig Nederlandse modemerken dinsdag een lijst gepubliceerd met de fabrieken waar ze hun kleding laten maken. Het overzicht met drieduizend naaiateliers is een van de eerste stappen die voortkomen uit het kledingconvenant, dat in 2016 werd gesloten in een poging misstanden in de sector tegen te gaan. Aanleiding voor die afspraken was het instorten van een kledingfabriek in Bangladesh in 2013, waarbij meer dan 1.100 doden vielen.

Op de lijst, op de website van de Sociaal-Economische Raad, staan alle productielocaties van de 64 bedrijven die zich inmiddels bij het convenant hebben aangesloten. Samen vertegenwoordigen zij zo'n 35 procent van alle omzet van kledingverkoop in Nederland. Onder meer de Bijenkorf, Hema, Zeeman en C&A behoren tot de ondertekenaars van het convenant.

China komt verreweg het vaakst voor op de lijst: de aangesloten merken hebben daar 1.035 verschillende fabrieken. Op plaats twee en drie komen Turkije en India, allebei met iets meer dan 330 naaiateliers. In Nederland zelf hebben de merken slechts 22 kledingfabrieken, die – zo valt op te maken uit hun namen – zich vooral bezighouden met het maken van riemen.

Welke ateliers bij welk modemerk horen, valt met de lijst niet te achterhalen. Dat is omdat het gaat om „bedrijfsgevoelige informatie”, zegt kwaliteitsmanager Arnoud van Vliet dinsdag in Trouw. Een kledingmerk wil immers niet dat de concurrentie weet waar je tegen een schappelijke prijs broeken en shirtjes kan laten maken. „Wij zijn zuinig op onze contacten”, aldus Van Vliet. „Met sommige merken werken we al dertig jaar.”

Alleen bij de SER – dat het kledingconvenant begeleidt – is bekend welke merken en ateliers bij elkaar horen. Als in één van de fabrieken op de lijst misstanden worden geconstateerd moet een overheid, vakbond of goededoeleninstelling dus contact opnemen met het adviesorgaan. Daarvoor is een speciale, onafhankelijke klachtencommissie ingesteld.

„Bij die commissie kan een werknemer of een vakbond een klacht indienen”, legt een woordvoerder van de SER uit. „Die kijkt dan of de klacht terecht is en of het gaat om een fabriek van een van de merken die zich hebben aangesloten. Is dat het geval, dan komt de commissie met een bindend oordeel.”

Sancties kan de klachtencommissie van de SER echter niet opleggen. Maar als een kledingmerk na zo’n berisping niet zelf ingrijpt, dan wordt het wel binnen het convenant besproken. „Aangesloten bedrijven spreken elkaar daar dan op aan. Want dit convenant is wel vrijwillig, maar niet vrijblijvend. Merken zijn gaan meedoen omdat ze iets willen veranderen. Dus de wil om misstanden aan te pakken is er.”