In de massasprint regeren de waaghalzen van het peloton

Tour de France

De voornaamste les bij de gevaarlijkste discipline in het wielrennen: niet bang zijn om op topsnelheid tegen het asfalt te smakken.

Foto Dirk Waem

Het is de gevaarlijkste discipline in het wegwielrennen, de massasprint. En zeker in de Tour de France, waar de belangen enorm zijn. Zowat tweehonderd wielrenners willen in de laatste vijf kilometer op dezelfde plek fietsen, sprinters, maar ook klassementsrenners, die niet in het gedrang willen raken. Hoe kom je daar als winnaar uit?

Vechten

Wie de vierde Tour-etappe van dinsdag heeft gezien, weet: sprinters zijn vechtersbazen, waaghalzen. Ze mogen niet bang zijn om met zeventig kilometer per uur tegen het asfalt te smakken. Op volle snelheid gooien ze soms ‘de deur dicht’, snijden ze hun collega’s af om te voorkomen dat ze ingehaald worden. Dat mag, maar niet op leven en dood. Peter Sagan maakte het dinsdag te bont: met zijn rechterelleboog reed hij Mark Cavendish de hekken in. Dat was over de grens en de internationale wielerbond UCI zette de Slowaak, het uithangbord van de wielersport, abrupt uit de Tour. „Het maakt niet uit wie het is, al was het Jan met de pet”, reageerde het Vlaamse UCI-jurylid Philippe Marien. „Het gaat om de actie, niet om de persoon.”

Zulke acties zagen we in het nabije verleden vooral bij Nacer Bouhanni, de Frans-Algerijnse sprinter die ook niet vies is van een ellenboogje. Bouhanni wordt daardoor als de badboy van het peloton gezien. „Nacer heeft dat onbevreesde, een echte vechter”, zei Cofidis-ploegleider Yvon Sanquer voor de start van de vierde Tour-etappe, onbedoeld verwijzend naar de incidenten die de Frans-Algerijnse sprinter in het verleden veroorzaakte. Om die redenen werd ook hij al eens gediskwalificeerd. Vorig jaar miste Bouhanni de Tour nadat hij bij een handgemeen met een hotelgast zichzelf dermate had bezeerd dat hij moest worden geopereerd. Als Bouhanni niet fietst, bokst hij graag. Gewoon, ter ontspanning, zegt zijn ploegbaas. „Maar die mentaliteit helpt hem wel in sprints. Hij duikt op hoge snelheid in gaatjes waar andere het laten liggen.”

Fysiek

Vanzelfsprekend moet een sprinter snelle spiervezels hebben, net als in andere sporten: een langeafstandsloper gaat nooit een 100 meter sprint winnen, Marcel Kittel zal nooit zegevieren op de Col d’Izoard. Daar zijn de snelle mannen minstens tien kilo te zwaar voor. Maar binnen het sprintersgilde zijn genoeg verschillen te bemerken. De gedrongen sprinters zijn vaak ontzettend explosief: kijk naar Bouhanni, Cavendish, Groenewegen. Zij hebben wat Sanquer, „een kick” noemt. „Nacer is supersnel over 100 meter. Als hij op zijn pedalen gaat staan, volgt er een explosie. Maar hij heeft weer niet de macht van Kittel. En dus moet hij slim zijn, bij andere renners in het wiel gaan zitten en dan hopen op succes.”

Timing

Wie Marcel Kittel bekijkt, ziet een groot krachtmens, met 85 kilo een van de zwaarste renners in het profwielrennen. Met dat lijf kan hij veel kracht genereren, maar volgens Tom Steels, Kittels ploegleider bij Quickstep-Floors, kan de Duitser nog iets bijzonders: „Hij heeft die versnelling in de benen, maar hij kan het ook heel lang volhouden, zeker 350 meter. Ik heb hem uit verloren positie nog zien winnen.”

Het betekent dat Kittel zijn sprint minder precies hoeft te timen dan veel van zijn tegenstanders, die moeten wachten op hun ideale moment, op 200, 150 meter. Het betekent ook dat Kittel een fout van zijn ploeg kan herstellen. Als er iemand wegvalt uit zijn sprinttrein, kan hij zelf nog veel herstellen.

Trein

Massasprints in de Tour beginnen rond de dertig kilometer voor de finish. Dan brengen de ploegen hun topsprinters in stelling door naar voren te rijden in het bijna tweehonderd koppen tellende peloton. Tal van type renners maken deel uit van die trein, te beginnen met ervaren rotten die de ploeg naar voren begeleiden. In het middenstuk van de sprint, zeg van tien tot drie kilometer, wil je renners hebben met een grote motor, kerels die machtig genoeg zijn om alleen tegen de wind in zestig kilometer per uur te fietsen, maar weer niet die explosiviteit hebben om ook echt te sprinten.

Het is hoe Marcel Kittel zijn carrière begon, tot men ontdekte dat hij ook nog eens een enorme topsnelheid kan halen. De belangrijkste schakel in een sprinttrein wordt de leadout genoemd. Hij zet de sprinter tussen 400 en 200 meter voor de finish af, in een ideaal scenario. Bij Kittel is dat Fabio Sabatini, een Italiaan die zo groot is dat hij zelfs Kittel uit de wind kan houden. Rick Zabel is de leadout bij team Katusha, voor de Noorse krachtpatser Alexander Kristoff. „We weten van Alexander dat hij baat heeft bij een lange sprint, hij kan goed tegen melkzuur”, zegt Zabel. „Betekent voor mij dus dat ik niet zo precies hoef te zijn met hem afzetten. Dat kan op 300 maar ook op 250 meter. Voor mij is het belangrijk dat ik de ballen heb om voor een ander vol gas naar de streep te rijden.”

Geluk

Robert Wagner is de Duitse leadout voor Dylan Groenewegen, bij LottoNL-Jumbo. Over de theorie achter de ideale sprint, zegt hij: „Een sprint volgens het boekje is in de Tour nog nooit gelukt. Het wordt ook niet makkelijker. Er zijn steeds meer teams die meedoen aan een sprint, en de wegen worden niet breder. Een sprinter moet goede benen hebben. En daarnaast een hele hoop geluk.”