Herinnering aan een onderbroken leven

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: de gedwongen opname van Susanna Kaysen in een kliniek voor de artistieke elite.

Illustratie Eliane Gerrits

Het is vreemd om op de eerste bladzijde van een boek je eigen huisadres te vinden, zeker als het een opnamerapport van een psychiatrische inrichting betreft. In Girl, Interrupted (1993, later verfilmd met Wynona Ryder) beschrijft Susanna Kaysen haar bijna twee jaar durende avontuur in de krochten van de psychiatrie. Haar vader, bekend econoom en adviseur van Kennedy, werkte ten tijde van haar opname in 1967 hier in Princeton.

Kaysen was een eigengereide zeventienjarige leerling met een passie voor schrijven. Er hing iets in de lucht tussen haar en de leraar Engels. Samen bekeken ze de schilderijen in de Frick Collection in New York. Bij Vermeers Onderbreking van de muziek (Girl Interrupted at Her Music) deinsde Kaysen terug. Een jong meisje wordt gestoord in haar musiceren door een oudere, bezitterige man die haar een brief overhandigt. Verschrikt kijkt ze ons aan. Probeerde het meisje Kaysen te waarschuwen? Niet doen!

Ze luisterde niet. Na het museumbezoek ging ze met de leraar uit eten. Hij kuste haar en Kaysen zakte voor haar examen. Haar leven ontrafelde zich. Nadat ze dertig aspirines had weggespoeld met een fles wodka, besliste de psychiater, een vriend van haar vader, dat ze rust nodig had. Haar koffer was al gepakt en de taxi stond klaar voor een rit naar McLean Hospital, een inrichting.

Psychiatrische opname was toen een minder drastische ingreep dan het nu lijkt. In de jaren zestig was het voor Amerikanen uit bemiddelde kringen niet ongewoon om een kind op Harvard te hebben en een in McLean. Beide instituten waren lastig binnen te komen en voor beide moest veel geld worden neergeteld. Maar McLean had net iets meer glamour. Daar zaten de schrijvers, de dichters, de muzikanten, de drop-outs die door hun leeftijdgenoten op de universiteit werden bewonderd. Een duur hotel voor de artistieke elite werd het wel genoemd. MacLean chic heette deze groep onder wie de dichter Robert Lowell en de zangers Ray Charles en James Taylor. Sylvia Plath schreef geïnspireerd door haar opname The Bell Jar.

McLean deed in alle opzichten denken aan een Ivy League-universiteit. Er waren tennisbanen, studiezalen, open haarden en een bibliotheek. Aan de muren hing exclusieve kunst. Voor enkelen werd zelfs hun huis nagebouwd, zodat ze zich daar helemaal thuis konden voelen. Maar op onaangepast gedrag, op weglopen en schreeuwen stond de isoleercel, een behandeling in koude lakens of elektroshocktherapie. De antipsychiatrie moest nog opkomen.

Bijna twee jaar bracht Kaysen door in McLean. De indrukken die ze daar opdeed, met name de zelfmoord van een vriendin, tekenden haar voor het leven. Maar achteraf was haar artistieke carrière daar begonnen: haar boek maakte haar tot een bekend schrijfster. „Niemand vertelde me destijds dat je van schrijven en vriendjes je werk kunt maken”, schrijft ze cynisch.

Zestien jaar later gaat ze terug naar de Frick om het schilderij van Vermeer opnieuw te bekijken. Ze denkt terug aan de eerste keer dat ze het meisje zag, vóór de zoen van de leraar die haar leven op zijn kop zou zetten. Toen had het meisje een dringende boodschap voor haar. Nu ziet ze enkel een verdrietig meisje. Gestoord in de muziek van haar jonge leven.