Commentaar

Accountants

De grote vier accountants kunnen niet weer wegduiken

Onvoldoende, zo oordeelt de Autoriteit Financiële Markten (AFM) over de kwaliteit van het oordeel van de grote vier accountantskantoren over de jaarrekeningen van het Nederlandse bedrijfsleven. Dat is opmerkelijk: ook in een onderzoek van vier jaar geleden was de AFM al zo hard, en liet in sommige gevallen een boete volgen. Kennelijk heeft de branche slechts een gebrekkige vooruitgang geboekt.

De kwestie is om twee redenen van belang. Als eerste heeft de overheid accountants het alleenrecht gegeven de boeken van bedrijven en andere rechtspersonen te controleren en van een oordeel te voorzien. Dat zorgt in theorie voor hygiëne: het publiek kan er op rekenen dat de cijfers kloppen en dat ze een juiste weergave zijn van de werkelijke toestand van de onderzochte onderneming of instelling. De accountant neemt hier een soortgelijke positie in als bijvoorbeeld de notaris: een door de overheid gesanctioneerde specialist waar de buitenwereld van op aan moet kunnen.

Het is verontrustend dat accountants volgens de AFM onvoldoende verrichten. Het ondergraaft het vertrouwen – een maatschappelijk goed dat sowieso al een steeds schaarser goed wordt. Burgers, werknemers, overheid, banken, andere financiers en beleggers moeten weten hoe hun bedrijf of instelling er voor staat.

De tweede reden waarom de bevindingen van de AFM van belang zijn, is de omvang van de grote accountantskantoren en hun invloed. De ‘Grote Vier’ zijn geen Nederlands verschijnsel: zij zijn grote internationale machtsfactoren. KPMG, Ernst&Young, PwC en Deloitte ontlopen elkaar niet veel in omvang, en tellen samen tegen de 900.000 medewerkers.

De geschiedenis van deze branche zegt, in een notendop, veel. Na een gestage samenklontering bleven er uiteindelijk maar vijf grote internationale kantoren over, die hun sterk mondialiserende klanten konden volgen. Het Enron-schandaal kostte accountant Arthur Andersen de kop, waarna er nog vier kolossen overbleven. Tegelijk breidden accountants hun controlerende werk uit naar taken als organisatieadvies en fiscale consultancy, waarna er een eindeloze strijd met autoriteiten en toezichthouders begon hoe deze verschillende, en soms conflicterende, taken gescheiden te houden. Want financieel toezicht houden op een klant die ook andere diensten betrekt, is ingewikkeld. Dit heeft inmiddels geresulteerd in verplicht roulerende accountants, zodat de relatie niet te langdurig en te innig wordt.

Zo is er een tweevoudig probleem: hoewel er ook kleinere accountantskantoren actief zijn, domineren er vier. En bij deze vier is het dan ook nog vaak complex om toezicht- en adviestaken uit elkaar te houden.

Van tijd tot tijd leidt dit, samen met de publieke verontwaardiging over internationale belastingroutes, tot de roep de branche op te schudden. Wordt het tijd voor paardenmiddelen? Het AFM-rapport dat, drie jaar na de vorige afstraffing, nog weinig verbetering ziet, is een nieuwe tegenvaller. Het geduld raakt op.

De grote kantoren kunnen zich verweren met het argument dat hun reeds doorgezette veranderingen wellicht nog niet helemaal in de resultaten van het AFM-onderzoek terug te vinden zijn. De branche moet in principe zelf de gelegenheid krijgen deze problemen bevredigend op te lossen. Maar aan deze zelfregulering komt een keer een eind.