Column

Wie loeren er nu weer op uw pensioengeld?

Altijd zijn er weer mensen die een goede bestemming hebben voor het pensioengeld dat werkgevers en werknemers verplicht hebben gespaard.

Andermans geld uitgeven. Wat moet dat heerlijk zijn. Lekker snoepen uit de suikerpot. Altijd zijn er weer mensen die een goede bestemming hebben voor het pensioengeld dat werkgevers en werknemers verplicht hebben gespaard. Een paar procent van die gespaarde bijna 1.300 miljard euro is genoeg om weer een dringende maatschappelijke nood te lenigen. De oproep van demissionair minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) dat pensioenfondsen Nederlandse multinationals moeten steunen staat in een lange traditie.

In juni 1971 diende Tweede Kamerlid Anne Vondeling (PvdA) een wetsontwerp in dat beleggers als het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, het spaarvarken voor ambtenaren en leraren, ertoe verplichtte altijd genoeg geld aan gemeenten te lenen. Niet doen, zeiden critici: beleggingsvoorschriften druisen in tegen de plannen voor liberalisering van het kapitaalverkeer in, toen nog, de EEG, de voorloper van de Europese Unie.

Vondeling vond dat pensioenfondsen op die verplichte beleggingen wél de marktrente moesten krijgen.

Daar dacht zijn partijgenoot Jan Schaefer als wethouder Volkshuisvesting in Amsterdam tien jaar later heel anders over. Op 11 februari 1982 stonden Schaefer en directeur Jan van der Dussen van het ABP het NOS Journaal te woord. Het ABP ging investeren in sociale woningbouw in Amsterdam en kreeg op zijn lening een rente die een half procentpunt ónder de marktrente lag. Schaefer maakte maximaal gebruik van schandalen in de pensioenwereld rond buitenlandse vastgoedbeleggingen: investeer dat geld liever hier, was zijn boodschap, hier is het nodig.

De Partij van de Arbeid in Amsterdam had ook een plan om pensioenfondsen te dwingen tot financiering van stadsvernieuwing tegen een rendement dat 2,5 procentpunt ónder de marktrente lag. Toenmalig minister van Financiën Fons van der Stee (CDA) waarschuwde in de miljoenennota voor mogelijke strijdigheid met Europese richtlijnen. Ook dat voorstel voor ‘beleggingsdwang’ kwam er niet.

Vervolgens zette de rijksoverheid pensioenfondsen en verzekeraars wél onder druk om de financiering van de industrie een impuls te geven. Men voldeed daar met tegenzin aan. Dat herhaalde zich tien jaar later. Na het bankroet van vrachtwagenfabrikant DAF vreesde het kabinet even voor de ondergang van de industrie. Vijf jaar geleden was de koopwoningenmarkt een nationaal probleem. Het kabinet vroeg de pensioenfondsen en verzekeraars om de woninghypotheekmarkt vlot te trekken. Maar de nieuwe bank die dat moest doen, stuitte op bezwaren in Brussel.

De werkgevers en de vakbonden, die samen de pensioenfondsen besturen, kennen de trucs ook. Zij hebben meermaals de pensioenpremies verlaagd om het besteedbaar inkomen van werknemers te verhogen. Als werkgever spande de overheid de kroon. In de jaren tachtig van de vorige eeuw betaalde de overheid vanwege bezuinigingen zo’n 15 miljard euro te weinig pensioenpremie.

Nu pleiten minister Kamp én werkgeversvereniging VNO-NCW voor investeringen van pensioenfondsen in cruciale Nederlandse bedrijven. Men trilt na van buitenlandse overnamepogingen op PostNL, Unilever en AkzoNobel.

Kan de overheid zelf iets doen? Zeker. De overheid bestiert al ruim vijftig jaar ons aardgas. Er waren steeds kansen om de miljardenopbrengsten in een apart fonds te steken voor investeringen in de economie. Maar politici gaven de voorkeur aan korte termijn-belangen, zoals gaten dichten in de volgende begroting. Dat was net zo kortzichtig als de hijgerige opkopers zijn, die ze nu met andermans geld dwars willen zitten.

Menno Tamminga schrijft elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.