Opinie

    • Jan Kuitenbrouwer

Politiek als escalerend kroeggevecht

In analyses van de politieke verhoudingen van de afgelopen jaren, meestal samengevat als ‘de opkomst van het populisme’, valt soms de naam van ‘de in Nederland weinig bekende’ Amerikaanse politicoloog Elmer Eric Schattschneider. Democratie is nooit een zuivere afspiegeling van de bevolking, stelt Schattschneider in zijn bekendste werk, The Semisovereign People (1960). Bevoorrechte elites zullen de democratie altijd domineren. In Schattschneiders rake bewoordingen: ‘The flaw in the pluralist heaven is that the heavenly chorus sings with a strong upper-class accent’. Niet-bevoorrechte groepen kunnen hun belangen alleen realiseren (en daarmee ‘semi-soeverein’ worden) door middel van conflict. Dat is politiek: het creëren en winnen van conflicten. Misschien verklaart dat Schattschneiders beperkte populariteit onder Nederlandse politicologen: wij houden niet zo van conflict, wij zoeken altijd de consensus. Straks breekt de dijk door en hebben wij elkaar weer nodig, dus tweespalt wordt vermeden. Schattschneider laat juist zien hoe verraderlijk het kan zijn om te denken dat tegenstellingen met elkaar verzoend zijn en het politieke krachtenveld in evenwicht is.

Zijn analyse en zijn schrijftrant zijn even verhelderend als vermakelijk: zoals hij het politieke proces beschrijft, lijkt het een escalerend kroeggevecht. „Elk gevecht bestaat uit twee elementen: in het midden een handjevol actieve deelnemers, en daaromheen het publiek dat onweerstaanbaar tot het gevecht wordt aangetrokken”, schrijft hij. „De toeschouwers zijn een integraal onderdeel van de situatie, want het publiek bepaalt de uitkomst van het gevecht.” Wie hebben zich gedurende de escalatie bij welk kamp aangesloten?

Een mooi voorbeeld is de kwestie Zwarte Piet. Het begint ermee dat mensen naar hun voorhoofd wijzen: ‘Tsss, die proberen een conflict te maken van Zwarte Piet’, en het eindigt met 17 miljoen mensen die een standpunt hebben. Over een conflict waarvan zij niet wisten dat het een conflict wás! Schattschneider: „The most devastating kind of political strategy is the substitution of conflicts”. Je leest het en het hele tableau doemt voor je op, breed grijnzend: Fortuyn, Haider, Le Pen, Wilders, Farage, Trump. Allemaal conflictvervangers. Nicely done.

Dat was de illusie van Paars waarvoor Schattschneider ons had kunnen behoeden: volledige politieke verzoening bestaat niet, dan verplaatst de strijd zich naar een nieuw front. Je zou dit een vorm van hyperframing kunnen noemen: het gaat niet om je plaats ín de arena, het gaat om de locatie ván de arena. Wil je een dominante partij de wind uit de zeilen nemen, dan moet je niet naar ze toe kruipen, je kunt beter elders een nieuw conflict beginnen en zorgen dat de massa het andere gevecht de rug toekeert. ‘Scope’ noemt Schattschneider dit. „De uitkomst van elk conflict wordt bepaald door de mate waarin het publiek erbij betrokken raakt.”

In feite komt Schattschneiders theorie erop neer dat een politicus eigenlijk niet meer nodig heeft dan een conflict met potentie en een efficiënte campagne om er reikwijdte aan te geven. In zijn woorden: „Elk conflict heeft iets in zich van een rel. Niets trekt zo snel een menigte aan als een gevecht. Niets is zo besmettelijk.”

Trump heeft laten zien dat dat conflict niet eens echt nieuw hoeft te zijn en dat het er ook weinig toe doet wie het exploiteert. Ooit waren het de Democraten die zich het lot van de blanke, laagopgeleide industriewerknemer aantrokken, tot zij dachten dat het conflict geen brandstof meer bevatte en door trokken naar de arena van culturele tegenstellingen. Tien, twintig jaar later maakte een reactionaire Republikein er alsnog een brisante kwestie van.

Jan Kuitenbrouwer is columnist en directeur van Woorden die Werken.

    • Jan Kuitenbrouwer