Interview

Na urenlang in de luwte rijden aan het eind toeslaan

Dylan Groenewegen

Dylan Groenewegen is de troef van Lotto-Jumbo bij sprintetappes in de Tour. In Luik won Marcel Kittel, maar er zijn nog volop kansen.

In gesprek met Dylan Groenewegen, Nederlands hoop als het sprinten wordt in de Tour de France, gaat het verrekte vaak over Marcel Kittel. Hij noemt zijn Duitse tegenstander dan weer „bijna onverslaanbaar”, „een stuk sneller” en ook „heel lastig te kloppen”. Bovendien „heeft hij de pure power” en eigenlijk ook „een perfecte sprinttrein”. Groenewegen houdt zich half juni, waar hij in de Ster ZLM Toer de trein die sinds vorig jaar om hem heen is gebouwd nog één keer wil testen, dan maar voor: „In de Tour wordt hij altijd een beetje minder.” Niets is minder waar: in de straten van Luik is Kittel zondag de sterkste, voor de tiende keer in de Tour. Groenewegen wordt vijfde.

Hij is pas 24, en net begonnen aan zijn tweede Tour de France. Vorig jaar was er „de hoop op een etappezege, nu de verwachting”. Maar dan moet hij wel met die atletische Duitser afrekenen. In een rechtstreeks duel deed hij dat eigenlijk pas één keer, vorig jaar in de Eneco Tour, een kleine Nederlandse rittenkoers. Dat is even andere koek dan de Tour, een wedstrijd waar hij van zijn ploeg pas in 2018 successen hoeft te behalen. „Maar niemand die het erg vindt als het dit jaar al lukt.”

Vorig jaar kwam de sprinttrein van Lotto-Jumbo nog weleens te vroeg op kop, reed de geel-zwarte formatie met nog drie kilometer te gaan al ijverig in de wind. „We hadden nog geen trein die het perfect deed. Nu zijn we een jaar verder, meer ervaren.” Zondag zei hij: „We kwamen nu in elk geval niet te vroeg op kop.”

In ’s werelds grootste wielerwedstrijd begint een massasprint eigenlijk al op vijftig kilometer van de finish. „Ik begin me dan klaar te maken. Plassen, nog wat gelletjes eten.” Ploegmaats zoeken elkaar op, en proberen in formatie aan de voorkant van het peloton te geraken.

Nerveus gedoe

Een nerveus gedoe is het, maar voor Groenewegen gaat het er in deze slotfase om. Hij heeft dan soms al vijf uur lang achter de schouders van zijn ploegmakkers gefietst om uit de wind te blijven, energie te sparen. „Vanaf tien kilometer voor de finish wordt het echt hectisch. De truc is dat je zo lang mogelijk durft te wachten met naar voren te rijden. Bij drie kilometer focus ik me alleen nog maar op het wiel van Waggie [Robert Wagner, red.]. Op hem vertrouw ik volledig. Zijn achteras is het enige wat ik zie tijdens een massasprint. Ik probeer niet meer te remmen. Op 200 meter is het vol gas tot de finish.”

In de Ronde van Noorwegen van dit jaar haalde Groenewegen zijn snelheidsrecord: 81 kilometer per uur. Hij won er twee etappes, na dagsucces in de Ronde van Yorkshire. „Belangrijk voor een sprinter als die nul weg is.”

Een dag na het interview wint Groenewegen een massasprint in de straten van Hoogerheide, in de Ster ZLM Toer. Die zege heeft waarde: André Greipel én Marcel Kittel slijpen er de messen voor de Tour. De volgende massasprint wint hij weer.

Groenewegen lijkt in topvorm te gaan beginnen aan de Tour, maar op een regenachtig Nederlands kampioenschap wordt hij in de eindsprint verslagen door Ramon Sinkeldam en Wouter Wippert. Een griepje ontneemt hem de macht in de benen, zegt hij nadien. Mag verder geen naam hebben. Ook niet dat hij daags voor de Tourstart in Düsseldorf nog een slijmerig hoestje heeft, kortademig is. „We zijn er gewoon klaar voor”, zegt hij met een jongensachtige glimlach, dezelfde die hij op zijn gezicht tovert na zijn glijpartij in de tijdrit van zaterdag. Hij mankeert niks. Maar op de eerste sprintafspraak in Luik komt hij zondag niet verder dan een vijfde plaats. „Ik zit er dichtbij, maar ik maak net niet de goede keuzes. Op naar de volgende sprint. Winnen is echt mogelijk.”

Dylan Groenewegen, geboren Amsterdammer, komt uit een waar wielernest. Opa Ko Zieleman was in de jaren 70 vermaard framebouwer. Hij heeft nog altijd een rijwielhandel in de Rivierenbuurt. Vader Gerrie Groenewegen werd in 1978 tweede op het NK wielrennen en Dylans zus Maxime verzamelde acht nationale kampioenstruien tot de ziekte van Crohn haar tot stoppen dwong.

Groenewegen deed na de basisschool vwo, maar had absoluut geen trek om in de schoolbanken te zitten. Uiteindelijk zakte hij af naar het vmbo. „Als ik iets niet leuk vind”, zegt hij met een grijns, „dan doe ik het niet”. Hij deed een opleiding tot fietsenmaker, liep stage in de winkel van zijn opa en vader, maar wist als jongetje eigenlijk al dat hij profrenner wilde worden. Aanvankelijk werd hij als een man van de klassiekers gezien, omdat hij in 2014 de Ronde van Vlaanderen voor beloften won. Maar wie zijn gestel goed bestudeert weet: die uit marmer gehouwen benen en dat gedrongen, afgetrainde lijf – 1,78 meter bij 76 kilogram – komen het best tot hun recht op een vlak stuk asfalt, op volle snelheid. Daar houdt hij van.

Genieten is het als pa Gerrie met een opgefokte scooter voor hem gaat rijden en hem tijdens een trainingssessie naar zeventig kilometer per uur trekt langs de A6 richting Almere. Daar sprint Groenewegen zich het zuur in de benen tot hij er misselijk van wordt, op zoek naar de explosiviteit die nodig is om de allerbeste te worden. Pa wilde aanvankelijk liever niet dat zijn zoon zou gaan fietsen. „Hij is zelf nogal gepusht door zijn vader. Hij moest trainen, en hij moest winnen. Mij zag hij liever voetballen. Bij de F’jes ben ik nog gescout door Ajax. Ik stond in de spits. Een afmaker, hè. Maar ik vond fietsen veel leuker.”

Hij zit er zelfverzekerd bij, zoals het een sprinter betaamt. Zilveren Breitling om zijn linkerpols – „cadeautje voor mezelf na een goed seizoen” – en aan de andere kant een zilveren armbandje met een doodskop, gemaakt door zijn vriendin. Onlangs kocht hij een witte Audi A5, tweedehandsje, maar toch: hij houdt van mooie spullen. Hij is gek van Ferrari’s, een rode Modena, daar droomt hij van. „Maar van mijn pa mag dat pas als ik het verdien. Een Touretappe zou wel een stap in de goede richting zijn.”

Hij groeit in zijn rol van kopman

Hij scheurt maar wat graag over de Vinkeveense Plassen met een motorbootje dat hij van zijn opa cadeau kreeg. Hij vertelt dat hij zich een tijdje terug liet opfokken door een man in een speedboot die met hem wilde racen. Bleek een agent te zijn. Kostte hem 2.500 euro. Dat is ook Groenewegen. En hij typeert: „Wij sprinters zijn toch anders dan klimmers. Die zijn meer van de cijfertjes, nerds. Wij zijn de koele boys. Zo was ik al op de basisschool. Ik bepaalde wie er bij wie in het voetbalteam kwam, zeg maar.”

Hij heeft ook een rustige kant. Na de koers zoekt hij vaak het water op om zijn hoofd leeg te maken. Zijn ouders hebben een zomerhuisje in Vinkeveen, waar ze met de hele familie regelmatig barbecueën. Sowieso is het één keer per week samen eten in Amsterdam. Groenewegen is een familieman, hij is graag thuis. Ome D., zo noemt zijn kleine neefje hem.

Het is pas zijn tweede jaar als kopman van een wielerploeg op het hoogste niveau, zijn tweede ‘Circus Tour’ bovendien. En toch begint hij steeds meer in de rol van kopman te groeien, laatste wagon in een sprinttrein die op hem is afgestemd. Dat was even wennen toen hij vorig jaar van een niveau lager kwam. Hij kwam in een gespreid bedje terecht, aan hem werd gevraagd hoe hij het liefst voor de finish afgezet wilde worden. „Dat was eigenlijk veel te makkelijk.”

Maar nu weet hij hoe het is om in pure chaos te sprinten. En belangrijker: om zijn collega’s te bedanken voor de doodsverachting die ze voor hem over hebben. „Ik heb moeten leren mijn waardering uit te spreken voor mijn collega’s. Toen ik vorig jaar moest speechen, was het van ‘ehh, nou, jongens, hartstikke bedankt.’ Nu bedank ik die gasten individueel. Zij moeten het doen. En het beste wat ik dan terug kan doen is een etappe winnen.”