Recensie

De dood die komt in een gehavende tuin

‘De Hollanders hebben daar zo’n pilletje voor, om dood te gaan”, zegt de demente Magda uit het toneelstuk De Verlossing (1996) van Hugo Claus. Dat ‘pilletje’ is de pil van Drion die in 1991 werd gepresenteerd uit de gerechtvaardigde geste van zelfbeschikking bij onaanvaardbaar lijden.

Het getuigt van moed dat Theatergroep Suburbia dit beladen, beklemmende onderwerp als zomervoorstelling aanbiedt, buiten, in een gehavende tuin als decor. Het gezin rondom sjacheraar en zenuwlijdende pestkop Oscar en zijn stervenszieke vrouw Magda leeft in staat van onophoudelijke zelfkwelling. Kinderen Karel en Julia hadden liever niet geboren moeten worden en de zuster van Magda, Marleen, doolt als een spookverschijning door Magda’s waanwereld. Claus is cynisch, op het wrede af, er is nauwelijks verzachting of toenadering tussen de getraumatiseerde personages.

Albert Lubbers regisseerde het stuk al eerder, in 1996 bij Het Toneel Speelt. Ook in deze herneming streeft hij een verregaand realisme na, versterkt door een grauwig en eigenlijk dodelijk saai decor. Hij had meer van zichzelf mogen eisen, lef of vernieuwing. Nu is het vooral aan de spelers te danken dat De Verlossing betekenis krijgt en aan het slot zelfs ontroering wekt.

Marie-Christine de Both als Magda en Wouter Van Lierde in de rol van Oscar zijn tot elkaar veroordeeld, en dat betekent: vol afkeer en toch met een vleug empathie. De Both toont prachtig de ijselijke, ontluisterende ouderdom van Magda. Bij Van Lierde als de zelfzuchtige Oscar breekt af en toe begrip door, als is het maar omdat het pilletje óók voor hem verlossing betekent. Dat is wrang. Mirjam Stolwijk zwerft als een witgeklede engel des doods door het spel, alleen haar zus Magda ziet haar. Zo dichtbij is de verzoenende dood voor Magda, want de beide zusters tonen als enigen compassie. Voor niemand anders dan voor elkaar; dat is het allermooiste.