Groenewegen weet nu hoe het is om in pure chaos te sprinten

Interview Dylan Groenewegen

Vanmiddag is de eerste sprintafspraak in de Tour de France, in de straten van Luik. Dylan Groenewegen heeft zijn zinnen gezet op deze etappe. Maar dan moet hij wel met Marcel Kittel afrekenen, zijn grote kwelgeest.

Foto ANP / Bas Czerwinski

In gesprek met Dylan Groenewegen, Nederlands hoop als het sprinten wordt in de Tour de France, gaat het verrekte vaak over Marcel Kittel, het Duitse sprintkanon met negen gewonnen Tour-etappes achter zijn naam. Hij noemt hem dan weer „bijna onverslaanbaar”, „een stuk sneller” en ook „heel lastig te kloppen”. Bovendien „heeft hij de pure power” en eigenlijk ook „een perfecte sprinttrein”. Groenewegen houdt zich half juni, waar hij in de Ster ZLM Toer de trein die sinds vorig jaar om hem heen is gebouwd nog één keer wil testen, dan maar voor: „In de Tour wordt hij altijd een beetje minder.”

Noem het ontzag voor een sprinter die beter is, maar in het geval van Groenewegen is het vooral een realistische kijk op de dingen. Hij is pas 24, en net begonnen aan zijn tweede Tour de France. Vorig jaar was er „de hoop op een etappezege, nu de verwachting”.

Marcel Kittel. Foto Christophe Ena/AP

Maar dan moet hij wel met die atletische Duitser afrekenen. In een rechtstreeks duel deed hij dat eigenlijk pas één keer, vorig jaar in de Eneco Tour, een kleine Nederlandse rittenkoers. Dat is even andere koek dan de Tour, een wedstrijd waar hij van zijn ploeg pas in 2018 successen hoeft te behalen. „Maar niemand die het erg vindt als het dit jaar al lukt.”

Te vroeg op kop

Vorig jaar kwam de sprinttrein van Lotto-Jumbo nog wel eens te vroeg op kop, zag je de geel-zwarte formatie met nog drie kilometer te gaan al ijverig in de wind rijden. „We hadden nog geen trein die het perfect deed. Nu zijn we een jaar verder, beter, meer ervaren. Ik liet me toen ook te veel leiden door die trein en daardoor begon ik soms te ver achterop aan mijn sprint. Als ik zelf een goede positie kan houden door met een concurrent mee te sluipen, dan zal je me dat dit jaar vaker zien doen.”

In de grootste wielerwedstrijd ter wereld begint een massasprint eigenlijk al op een kilometer of vijftig van de finish. Groenwegen: „Ik begin me dan al klaar te maken. Plassen, nog wat gelletjes eten.” Ploegmaats zoeken elkaar op, en proberen in formatie aan de voorkant van het peloton te geraken. Soms gaat dat in de vorm van een bolletje, soms in een lange lijn – hangt af van het wegdek, obstakels, en de andere ploegen. In feite willen 198 renners op de voorste rij fietsen.

Een nerveus gedoe is het, maar voor Groenewegen gaat het er in deze slotfase om. Hij heeft dan soms al vijf uur lang achter de schouders van zijn ploegmakkers gefietst om uit de wind te blijven, energie te sparen, „beetje stom zitten ouwehoeren de hele dag. Maar vanaf tien kilometer voor de finish wordt het echt hectisch. Dan kan je nog een perfecte trein maken, maar vijf kilometer later kan je totaal geïsoleerd zitten. De truc is dat je zo lang mogelijk durft te wachten met naar voren rijden. Bij drie kilometer wordt dat nog lastiger. Ik focus me dan alleen maar op het wiel van Waggie [Robert Wagner, red.]. Op hem vertrouw ik volledig, hij geeft zijn leven voor me. Zijn achteras is eigenlijk het enige wat ik zie tijdens een massasprint. Ik probeer zo weinig mogelijk meer te remmen. Waggie trekt vol door en stuurt uit op 200 meter. Dan is het vol gas tot de finish.”

In de Ronde van Noorwegen van dit jaar haalde Groenewegen zijn snelheidsrecord: 81 kilometer per uur in volle sprint – „het liep wel ietsjes vals plat, hoor”. Hij won er twee etappes, na dagsucces in de Ronde van Yorkshire. „Belangrijk voor een sprinter als die nul weg is.”

Een massasprint in Hoogerheide

Een dag na het interview wint Groenewegen een massasprint in de straten van Hoogerheide, tijdens de Ster ZLM Toer. Die zege heeft waarde: André Greipel én Marcel Kittel slijpen er de messen voor de Tour. Eerlijk is eerlijk: Kittel heeft materiaalpech en kan niet met hem wedijveren. De derde etappe gaat ook naar Groenewegen, en alweer is Kittel nergens te bekennen. Een dag later wint de blonde Duitser wel, maar Groenewegen volgt in diens kielzog, voor Greipel. Het zijn mannen die naar verwachting gaan strijden om de sprintetappes in de Tour. En waarom hij dan niet?

Groenewegen lijkt in topvorm te gaan beginnen aan de Tour, maar op een regenachtig Nederlands kampioenschap wordt hij in de eindsprint verslagen door Ramon Sinkeldam en Wouter Wippert. Het zag er bepaald niet sterk uit, zwabberend in de slotmeters, en de sprinttrein functioneerde ook niet. Een griepje ontnam hem de macht in de benen, zei hij nadien. Mocht verder geen naam hebben. Ook niet dat hij daags door de Tourstart in Düsseldorf nog een slijmerig hoestje had, en kortademig was. „We zijn er gewoon klaar voor”, zei hij met een jongensachtige glimlach, dezelfde die hij op zijn gezicht toverde na zijn glijdpartij in de tijdrit van zaterdag. Hij mankeerde echt niks, is gefocust op de eerste sprintafspraak, zondag aan het einde van etappe 2 in de straten van Luik.

Dylan Groenewegen, geboren Amsterdammer, komt uit een waar wielernest. Opa Ko Zieleman was in de jaren zeventig vermaard framebouwer. Hij heeft nog altijd een rijwielhandel in de Rivierenbuurt. Vader Gerrie Groenewegen werd in 1978 tweede op het NK wielrennen en Dylans zus Maxime verzamelde acht nationale kampioenstruien tot de ziekte van Crohn haar tot stoppen dwong.

Lees hier over de kracht van Froome: Gaat iemand Froome van een nieuwe Tourzege afhouden?

Groenewegen deed na de basisschool vwo, maar had absoluut geen trek om in de schoolbanken te zitten. Uiteindelijk zakte hij af naar het vmbo. „Als ik iets niet leuk vind”, zegt hij met een grijns, „dan doe ik het niet.” Hij deed een opleiding tot fietsenmaker, liep stage in de winkel van zijn opa en vader, maar wist als jongetje eigenlijk al dat hij profrenner wilde worden. Aanvankelijk werd hij als een man van de klassiekers gezien, ook en vooral omdat hij in 2014 de Ronde van Vlaanderen voor beloften won. Maar wie zijn gestel goed bestudeert weet: die uit marmer gehouwen benen en dat gedrongen, afgetrainde lijf – 1.78 bij 76 kilogram – komen het best tot hun recht op een vlak stuk asfalt, op volle snelheid.

Groenewegen kickt op snelheid

Kickt-ie op, snelheid. Genieten is het als pa Gerrie met een opgefokte scooter voor hem gaat rijden en hem tijdens een trainingssessie naar zeventig per uur trekt langs de A6 richting Almere. Daar sprint Groenewegen zich het zuur in de benen tot hij er misselijk van wordt, op zoek naar de explosiviteit die nodig is om de besten te verslaan. Pa Groenewegen wilde aanvankelijk liever niet dat zijn zoon zou gaan fietsen. „Hij is zelf nogal gepusht door zijn vader. Hij moest trainen, en hij moest winnen. Mij zag hij liever voetballen. Bij de F’jes ben ik nog gescout door Ajax. Ik stond in de spits. Een afmaker he. Maar ik vond fietsen veel leuker.”

Foto ANP/Bas Czerwinski

Hij zit er zelfverzekerd bij, zoals het een sprinter betaamt. Zilveren Breitling om zijn linkerpols – „cadeautje voor mezelf na een goed seizoen” – en aan de andere kant een zilveren armbandje met een doodskop, gemaakt door zijn vriendin. Onlangs kocht hij een witte Audi A5, tweedehandsje, maar toch: hij houdt van mooie spullen. Hij is gek van Ferrari’s, een rode Modena, daar droomt hij van. „Maar van mijn pa mag dat pas als ik het ook verdien. Een Touretappe zou wel een stap in de goede richting zijn.”

Hij scheurt maar wat graag over de Vinkeveense plassen met een motorbootje dat hij van zijn opa cadeau kreeg. Hij vertelt dat hij zich een tijdje terug liet opfokken door een man in een speedboot die met hem wilde racen. Bleek achteraf een agent te zijn. Kostte hem 2.500 euro, want er deugde weinig van dat bootje. Van een beetje Amsterdamse branie is Groenewegen niet vies. En hij typeert: „Wij sprinters zijn toch anders dan klimmers. Die zijn meer van de cijfertjes, nerds. Wij zijn de koele boys. Zo was ik al op de basisschool. Ik bepaalde wie er bij wie in het voetbalteam kwam, zeg maar.” Is hij opvliegerig, zoals Nacr Bouhanni en Marc Cavendish, andere tegenstanders in de sprint deze Tour? „Mwa, laatst moest ik de vaatwasser repareren. Als het dan niet meteen lukt, sta ik wel te vloeken. Daarom moet je me na een verloren sprint ook altijd heel even met rust laten. Moet ik even afkoelen.”

Ook een rustige kant

Maar hij heeft ook een rustige kant. Na de koers zoekt hij vaak het water op om zijn hoofd leeg te maken. Zijn ouders hebben een zomerhuisje in Vinkeveen, waar ze met de hele familie regelmatig barbecueën. Sowieso is het één keer per week samen eten in Amsterdam. Groenewegen is een familieman, hij is graag thuis. Ome D., zo noemt zijn kleine neefje hem. Met zijn vrienden mag hij na het seizoen graag een pilsje drinken in het café, lasergamen, bowlen. „Slap lullen, een bubbeltje erbij. Maar echt nachtbraken in de club hoeft niet zo van mij. En dat weten ze ook van mij: ik moet een dag later gewoon weer trainen.”

Het is pas zijn tweede jaar als kopman van een wielerploeg op het hoogste niveau, zijn tweede Circus Tour bovendien. En toch begint hij steeds meer in de rol van kopman te groeien, laatste wagon in een sprinttrein die op hem is afgestemd. Dat was even wennen toen hij vorig jaar van een niveautje lager kwam. Hij kwam in een gespreid bedje, aan hem werd gevraagd hoe hij het liefst voor de finish afgezet wilde worden. „Dat was eigenlijk veel te makkelijk.”

Maar nu weet hij hoe het is om in pure chaos te sprinten. En belangrijker: om zijn collega’s te bedanken voor de doodsverachting die ze voor hem over hebben. „Ik heb moeten leren mijn waardering uit te spreken voor mijn collega’s. Toen ik vorig jaar moest speechen, was het van ‘ehh, nou, jongens, hartstikke bedankt.’ Nu bedank ik die jongens individueel voor hun werk. Zij moeten het wel doen. En het beste wat ik dan terug kan doen is een etappe winnen.”