‘Er is iets grondig mis, als de spoedzorg steeds verstopt zit’

Interview Michiel Gorzeman

Patiënten die nergens anders terechtkunnen, blijven veel te lang op de spoedeisende hulp, zegt de leider spoedeisende hulp OLVG.

FOTO: ANP XTRA LEX VAN LIESHOUT

Spoedafdelingen die in een kwartaal meer dan 1.300 keer de deuren sluiten voor ambulances die met een 112-melding komen, alleen al in Noord-Holland en Flevoland. De eerste hulp, traumakamer of eerste harthulp waar patiënten worden geweigerd. Veel vaker en veel langer dan een jaar geleden, toen artsen al aan de bel trokken over het probleem.

Michiel Gorzeman heeft de leiding over de spoedeisende hulp in het Amsterdamse OLVG-ziekenhuis. Hij vertelt hoe de patiëntenstops er in de praktijk uitzien. Bijvoorbeeld als een vrouw, 89 jaar, valt – zoals eind vorige week. Ze komt het OLVG binnen met een klein scheurtje in haar bekken. Terug naar huis gaat niet. Haar man is 95 jaar en kan haar nooit helpen met aan- en uitkleden of naar het toilet gaan. In het ziekenhuis opnemen zou overdreven zijn. De vrouw heeft een bed nodig in een ‘eerstelijnskliniek’ waar ze op krachten kan komen om daarna weer naar huis te gaan.

Het lukte de artsen niet een plek voor haar te vinden. Samen met een arts-assistent belt Gorzeman naar de huisarts van de patiënt, klinieken, verpleeghuizen en thuiszorgorganisaties. Niemand kan de vrouw opnemen. Urenlang ligt de vrouw op de spoedeisende hulp. Ze houdt een bed bezet – samen met vergelijkbare patiënten. De afdeling ligt vol.

Gorzeman: „Dit soort voorbeelden zien we hier iedere dag, meerdere keren. Voor de artsen is het frustrerend, voor de patiënt heel naar. Als de spoedzorg keer op keer verstopt zit, dan is er iets grondig mis.”

Een jaar geleden stuurde de organisatie SpoedZorgNet al een brandbrief over dit probleem. Wat is er sindsdien veranderd?

„Iedereen beseft nu dat we een groot probleem hebben. In het hele land moeten zelfs de kleinste ziekenhuizen soms hun spoedzorg sluiten, omdat ze overvol liggen. Allerlei instellingen denken na over oplossingen en er is extra geld beschikbaar gekomen vanuit het ministerie. Allemaal goed, maar als dokter zeg ik: het is er niet beter op geworden.”

Dat ziet u op de werkvloer?

„Precies. Het voorbeeld van de 89-jarige vrouw… die vrouw ligt urenlang in onzekerheid op bed. Het laat vooral zien dat samenwerking het probleem is. Die vrouw had een ‘eerstelijnsbed’ nodig – waar ze lichamelijk kon herstellen voordat ze naar huis ging. Maar zo’n bed is op dat moment gewoon onvindbaar. De samenwerking met andere zorginstellingen komt moeilijk van de grond.”

Het ministerie investeerde juist 55 miljoen euro in zulke herstelbedden.

„Ik weet niet waar dat geld gebleven is. We bellen ons iedere dag suf om te zorgen dat mensen een plek vinden. Aan de andere kant is de toestroom van patiënten ook steeds groter geworden. We zien vooral steeds meer ouderen op onze spoedafdelingen, omdat zij langer thuis blijven wonen. Het is aan alle kanten een probleem, ook door veranderende demografie en een tekort aan verpleegkundigen.”

Leiden de patiëntenstops tot gevaarlijke situaties?

„Nou, er zijn genoeg spoedeisendehulpafdelingen in Nederland. Als een afdeling vol is, rijden ambulances naar een ander ziekenhuis. Als patiënten bijna doodgaan, kunnen de ambulances altijd terecht en improviseren we. Maar moeten er eerst doden vallen dan? Als ik zo’n vrouw van 89 jaar uren onnodig op de afdeling heb liggen, dan denk ik: dit is toch geen goede zorg?”