Opinie

Waren die zinnen over het graf van Fikri denigrerend?

Hoe een correspondent met een paar zinnen middenin een heftig, transnationaal conflict kan belanden. Correspondent Koen Greven bezocht Marokko en schreef een reportage over de spanningen in het Rif-gebied na de gruwelijke dood van vishandelaar Mohsin Fikri, die werd vermorzeld in een vuilniswagen (Er staan steeds nieuwe Rif-leiders op, 16 juni). Via een Marokkaanse tussenpersoon sprak hij met de broer van Mohsin Fikri, bezocht diens graf en opende zijn reportage met een beschrijving daarvan.

Dat ging zo: „Verscholen tussen dorre struiken staat een houten kruis zonder naam. Geen plek die eruit ziet als een gedenkplaats voor ‘het slachtoffer van het systeem’. Het lichaam van vishandelaar Mohsin Fikri (31) is weggemoffeld naast een half afgebouwde moskee op het platteland bij het plaatsje Imzouren, in de Rif. Alsof de problemen verdwijnen door er zand over te gooien. „Het is te hopen dat de dood van mijn broer tot iets positiefs leidt”, zegt Aimad Fikri (30) een paar kilometer verderop. „Hij was net als ieder ander hier slechts bezig met overleven. Zijn dood mag niet zomaar vergeten worden”.”

Dat heeft hij geweten. Over die eerste paar zinnen stak op Twitter grote woede op onder enkele Nederlandse verwanten van Fikri, met name van nicht Samira Fikri, die in de Volkskrant over de opstand in de Rif schreef, en haar broer Zaid. Zij beschuldigden Greven van „riooljournalistiek”.

Hun neef is niet „weggemoffeld”, laten zij weten, maar heeft „een waardige begrafenis gekregen, bijgewoond door tienduizend aanwezigen”. De beschrijving van het graf getuigt volgens hen van onwetendheid over Marokko, waar een dergelijke begraafplaats helemaal niet ongebruikelijk is, maar is ook beledigend en denigrerend, een poging het graf belachelijk te maken.

Greven gooide zelf olie op het vuur met een verongelijkte tweet: „Wat een treurige mensen zijn er toch. Het is kennelijk nooit goed. Respect, tja. Ze weten zelf niet wat dat is”. Daarna ging het helemaal los: Greven werd een „PVV-toon” verweten, er werd vastgesteld dat hij „gore vingers’” heeft en „grove leugens” verspreidt. Het laatste omdat hij zijn critici vroeg wie ze waren, want hij had van Fikri’s broer begrepen dat die geen Nederlandse familie kende.

Greven zegt: „Ik heb nooit iemand willen beledigen of schofferen. Ik had niet verwacht het graf zo aan te treffen en dat heb ik opgeschreven. Het woord ‘weggemoffeld’ is misschien niet zo fraai, maar zo voelde het voor mij.”

Van andere Marokkaanse Nederlanders die de Rif-berichtgeving op de voet volgen, kreeg Greven in privé-berichten lof. „Ik vind het juist heel respectvol dat je de moeite hebt genomen om het graf te bezoeken”, berichtte een van hen. Een ander, die hem hielp bij de voorbereiding van zijn reportage in Marokko: „Je hebt niets verkeerds gedaan, je artikel was heel goed en sterk.”

Gekwetste gevoelens van verwanten moet de krant uiteraard serieus nemen, los van de toon die ze aanslaan, die ongetwijfeld getekend wordt door de spanning en verdeeldheid die de escalatie in Marokko ook hier oproept.

Op een tweede front kwam bij de krant bovendien een zakelijke klacht binnen van Zaid Fikri, die zich op sociale media intussen evenmin onbetuigd liet en Greven daar een „respectloze schoft” en een „leugenaar” noemde. Hij vroeg om sancties tegen Greven. Een reactie van de chef Buitenland stelde hem niet tevreden, waarna Fikri zich tot mij wendde, aangemoedigd door strijders op Twitter die de kar naar de guillotine graag een duwtje geven.

Is die woede terecht?

Ik heb het begin van Grevens stuk heel anders gelezen. Uit zijn aanhef spreekt in mijn ogen geen dédain, maar eerder medeleven en ingehouden verontwaardiging. De verslaggever toont zich geschokt dat een man die een symbool van het verzet is geworden, een ogenschijnlijk anonieme laatste rustplaats heeft gekregen. Dat is misschien naïef, en te veel beïnvloed door het modern-Westerse rouwritueel van waxinelichtjes en teddyberen, maar zeker niet kwaadaardig.

Ik kan me ook voorstellen dat „weggemoffeld” ongevoelig of onbehouwen overkomt, al doelt Greven niet op de begrafenis (ook NRC meldde dat die „een grote menigte” trok), maar op de locatie van het graf. Maar wie verder leest, merkt al snel dat de emotie die Greven in zijn zinnen legt, niet voortkomt uit schamperheid, maar uit betrokkenheid bij het verhaal. Daarvan getuigt al het plechtige citaat van broer Aimad dat er direct op volgt. En dit twitterde Greven zelf toen zijn stuk verscheen: „Ik hoop als mens vooral dat de dood van Mohsin Fikri ergens goed voor zal zijn, zoals zijn broer Aimad in al zijn grootsheid zegt.”

De Nederlandse Marokko-kenner Jan Hoogland, die Grevens stuk voor publicatie meelas, bevestigt dat een dergelijke begraafplaats niet ongebruikelijk is op het Marokkaanse platteland (wat Greven ook niet tegensprak), maar zegt er „absoluut” niet in te lezen dat Greven het graf of de begravene wilde kleineren of belachelijk maken.

Een graf beschrijven ligt altijd gevoelig, zeker in een andere culturele context. Maar hier wordt een betwistbare woordkeus aangegrepen om een verslaggever weg te zetten als een kwaadwillende Hollandse onbenul. Greven had op Twitter, een schoolplein vol uitgetrokken haren, minder defensief kunnen reageren, maar ik betwijfel of het veel had uitgemaakt. Het betekent niet dat zijn reportage niet deugde en rechtvaardigt al helemaal niet de bak scheldwoorden aan zijn adres. Over woordkeus gesproken.

Reacties: ombudsman@nrc.nl