Column

Leren gokken in kindercasino

Ik heb een droom. Het is een bescheiden droom, maar wel een die ik al lange tijd koester, en ik weet zeker dat de verwezenlijking ervan mij volmaakt gelukkig zal maken, toch in elk geval voor een ogenblik. Om redenen die ik zelf ook niet geheel doorgrond, verlang ik er al decennia naar mijn initialen (WVL, er is maar ruimte voor drie tekens) in de highscore-lijst van een flipperkast te zien staan.

Sinds een maand of twee maak ik er serieus werk van. Het dagelijkse potje rammen op de Kiss-flipperkast (gebaseerd op de band), dat vaker dan ik zou willen uitdraait op twintig potjes flipperen, vormt een aangename afwisseling in de monotone eenzaamheid van het zzp-bestaan. Inmiddels haal ik vaker replays en multiballs dan de trein. Helaas blijft mijn persoonlijke record van ruim veertig miljoen punten nog ver achter bij dat van de kampioen, ene ZBI, dat op negentig miljoen staat (een score die mogelijk is neergezet tijdens de hoogtijdagen van de hairmetal).

Naast ZBI is er trouwens nog een andere winnaar: de Gamebox, de arcadehal-annex-kindercasino die eind april zijn deuren opende en aan mijn onverwezenlijkte ambitie inmiddels een dikke honderd euro heeft overgehouden.

Deze week uitte CDA-Kamerlid Madeleine van Toorenburg haar zorgen over dit soort spelhallen. Vanaf twaalf jaar mag je hier namelijk zonder begeleiding naar binnen. De vestigingen van Gamestate (ander bedrijf, nagenoeg identiek concept) zouden ‘kindercasino’s’ zijn. Nauwelijks te onderscheiden van de variant voor volwassenen, volgens Van Toorenburg.

Dat is wat kort door de bocht – hoewel ik er zelf jammerlijk in faal, mag zelfs een kind in staat worden geacht verantwoordelijk om te gaan met een flipperkast. Toch deel ik de kritiek grotendeels. Tussen de onschuldige videogames (Street Fighter, Alien), flipperkasten en airhockey-tafels staat namelijk een serie kermisachtige toestellen. Daarmee zijn tickets te winnen, die voor prijzen worden ingewisseld.

Zo spuwt de game Crossy Road, waarbij je een virtuele kip de weg laat oversteken, duizend tickets uit bij elke score boven de tweehonderd punten. Volgens de catalogus kost een Rihanna-dekbedovertrek 5.385 tickets. Wie extreem handig is, speelt dat in theorie voor een euro of zes bij elkaar. Ten behoeve van deze column heb ik een poging ondernomen. Nadat ik in een paar minuten voor twintig euro aan kippen plat liet rijden, bleef ik achter met een paar meter tickets, oftewel rond de vierhonderd stuks. In dit tempo ben ik 269,25 euro kwijt voordat ik onder mijn popidool kan slapen.

Dat is, uiteraard, volledig te wijten aan mijn gebrekkige skills. Daar wees Roel Veltmeijer, directeur van Gamestate, dan ook op, in een item van het tv-programma EenVandaag: dit zijn geen gokkasten, maar behendigheidsspellen. Dat onderscheid is wellicht relevant in het debat over online poker – maar toch niet zo zeer voor de vraag of hier soms schaamteloos misbruik wordt gemaakt van het nog niet ontwikkelde kinderbrein. Want dat is overduidelijk exact wat hier gebeurt.

De prijzen achter de balie, de kleuren, de lampen en de soundeffects, de andere spelers die ronddolen met meters tickets rond hun nek, de kick van het mazzelen, het gemak waarmee via een enkele tik met een pasje een nieuw potje wordt opgestart – het is allemaal gericht op dezelfde hersencircuits als de fruitmachine en roulettetafel. Meer, meer! Nog één keer!

Dat kinderen verleid worden er in recordtempo hun zakgeld doorheen te jassen, is niet eens het echte probleem. Gamebox en Gamestate programmeren minderjarigen om op volwassen leeftijd aan te schuiven bij de treurige verzameling verslaafden, witwassers en zzp’ers die hun dagen slijten in casino’s en gokhallen. Fijn dat Van Toorenburg ze wil redden voordat de ‘eigen verantwoordelijkheid’-kaart kan worden gespeeld.

Walt van der Linden is publicist. Hij vervangt op deze plek Rosanne Hertzberger die met vakantie is.