Eindeloos deinen op de koude golven

Jack O’Neill (1923-2017) was een van de uitvinders van het wetsuit. Dat maakte dat de surfrevolutie kon overslaan naar alle wereldzeeën.

Jack O’Neill verloor zijn linkeroog bij een surfongeluk.

Het waren de drie belangrijkste dingen in zijn leven, verklaarde hij plechtig: surfen, surfen en surfen. En daarbij gold het ten minste even zwaarwegende credo: first in, last out. Jack O’Neill, geboren in Denver, Colorado wilde zo vaak en zo lang mogelijk op de golven rijden.

Er was één probleem, ontdekte hij toen hij zich na de Tweede Wereldoorlog (waarin hij diende als piloot) in San Francisco vestigde voor een studie liberal arts. De temperatuur van het zeewater in noordelijk Californië schommelde rond de tien graden. In zijn zwembroek hield hij het soms een uur vol, maar dan moest hij zich wel tussendoor warmen aan de grote vuren die surfers noodgedwongen stookten op het strand.

Om het koukleumen tegen te gaan, sloeg O’Neill aan het uitvinden. Alles probeerde hij om zijn lichaam op temperatuur te houden: hij smeerde zich in met vaseline (maar dat werd veel te glibberig), droeg wollen truien (die loodzwaar werden van het zeewater en gingen stinken) of hij dronk wat borrels tussendoor (wat de balans weer niet bevorderde).

En ook al werd hij uitgelachen als hij uitgedost als Michelin-mannetje in de golven spartelde, uiteindelijk lukte het hem een rubberen vest te ontwerpen dat strak zat, warm was en óók nog heel bleef. Dat prototype voelde volgens hemzelf nog als ‘een dwangbuis’, maar het zou zijn leven ingrijpend veranderen. Want toen het vest eenmaal lange pijpen en mouwen had gekregen, was het wetsuit geboren.

De echte uitvinding kwam dan wel op naam te staan van Hugh Bradner, een natuurkundige aan de Universiteit van Californië, Berkeley, maar O’Neill geldt als belangrijke mede-pionier. Van de twee mannen was hij commercieel het meest gewiekst. Terwijl Bradner vergeefse pogingen deed om patent aan te vragen en zijn vondst aan het leger en aan duikers te slijten, verkocht O’Neill vanaf 1952 al zelfgemaakte pakken vanuit zijn omgebouwde garage, die hij tot ‘surfshop’ omdoopte. Die naam liet hij onmiddellijk vastleggen.

De mensen om hem heen waren niet direct overtuigd. „Je verkoopt ze aan je vijf vrienden op het strand, en daarna ga je failliet”, zo zou O’Neill later – toen hij allang miljonair geworden was – de vele sceptici in zijn omgeving smalend citeren.

Maar zijn timing bleek perfect, want eind jaren vijftig ontplofte de surfscene. Wat voorheen gold als een rebelse sport voor outlaws, veranderde in een begeerlijke feelgood lifestyle, een eeuwig verlangen naar zon, zee en strand. De muziek van Jan and Dean en The Beach Boys wakkerden de hype verder aan.

Door de komst van het wetsuit was die felbegeerde endless summer niet langer voorbehouden aan de happy few die opgroeiden in warme oorden: opeens was elke wereldzee een potentiële surfbestemming geworden. Die revolutie wist O’Neill ook nog eens uitmuntend te vangen in een slogan die bijna zeventig jaar later nog steeds aan de binnenkant van zijn surfpakken staat: „It’s always summer on the inside.”

Eenmaal verhuisd naar het Amerikaanse golvenwalhalla Santa Cruz groeide zijn winkel uit tot een miljoenenbedrijf dat behalve surfpakken en kleding zo’n beetje alles verkocht, van schoenen tot schoolagenda’s. Dankzij zijn lange baard en karakteristieke ooglap (hij verloor zijn linkeroog bij een surfongeluk in 1971) gold Jack O’Neill meer als een iconische en goedlachse opperpiraat dan als ceo.

Uiteindelijk liet hij een deel van zijn kapitaal terugvloeien naar de oceaan. In 1996 richtte hij de non-profit organisatie O’Neill Sea Odyssey op. Een ‘drijvende schoolklas’ noemde hij de twintig meter lange catamaran waarmee maritiem biologen met grote groepen scholieren over de Pacific zeilden en ze onderweg onderwezen over het belang van oceaan, klimaat en milieu. In ruim twintig jaar gingen er zo’n honderdduizend kinderen mee op excursie. Het was het beste wat hij ooit had gedaan, vond hij.

Surfen deed O’Neill de laatste decennia niet meer, maar vanuit zijn huis bovenaan Pleasure Point Beach bleef hij uitkijken over een van de beste surfstekken van Santa Cruz. Hij overleed er op 2 juni, op 94-jarige leeftijd, omringd door vrienden en familie, liet het moederbedrijf in een verklaring weten, „terwijl de beroemde golven van zijn geliefde Pleasure Point tegen zijn terras sloegen”.