Commentaar

Uber kwetst alles en iedereen

Economie

Vanwege de ontwikkelingen rond Uber leest deze recente bedrijfsbiografie alweer als een geschiedenisboek. Maar de auteur voorvoelde de turbulentie rondom topman Trevor Kalanick.

Wanneer was dat eigenlijk, dat moment dat taxibedrijf Uber niet meer primair werd beschouwd als die frisse uitdager van de gevestigde orde, maar eerder als een politiek incorrecte bully? Adam Lashinsky, auteur van Uber. De wilde rit, schrijft deze omslag toe aan het jaar 2014. Het was het jaar dat Uber wereldwijd doorbrak, maar met de groei ook de stuipen kwamen. ‘Taxibedrijven, toezichthouders, concurrenten, journalisten, eigen chauffeurs, zelfs vrouwen: allemaal konden ze zich met recht gekwetst voelen door iets wat Uber zei of deed’, schrijft Lashinsky.

Het is natuurlijk een prachtige timing dat het boek van Lashinsky – adjunct-hoofdredacteur van zakenblad Fortune en commentator bij Fox – in vertaling verschijnt in de maand waarin topman Travis Kalanick moest vertrekken vanwege zijn vrouwonvriendelijke opmerkingen. Ook al was hij niet de oprichter, Kalanick wás Uber. Zo’n start-up-jongen die zich maniakaal met details bemoeide, zoals de juiste spatiëring in het Uber-logo. Maar ook iemand die fundamentele kritiek achteloos terzijde kon schuiven. En die pesterige hashtags in het leven riep, zoals #clone voor het concurrerende Lyft.

Het vertrek van Kalanick past goed in Ubers rampjaar, waarin beschuldigingen van seksisme werden afgewisseld met verwijten over het stelen van technologie. Het zal Uber zwaar vallen om zijn reputatie weer een beetje op te vijzelen, zoals ook die andere eminente marktverstoorder – Airbnb – zijn brutale imago tegen zich zag keren. Maar het zou onverdiend zijn om het taxibedrijf uitsluitend op de schandalen af te rekenen. Met één druk op de smartphone een taxi bestellen is inmiddels zo ingeburgerd dat de gemiddelde grootsteedse consument niet meer zonder zou willen.

Aanhoudende kritiek

De uitwerking van dit verbijsterend simpele idee maakte van Uber een miljardenbedrijf. Des te opvallender is het dat het in 2017, acht jaar nadat het bedrijf werd opgericht, nog steeds onduidelijk is of Uber-chauffeurs eigenlijk wel kunnen rondkomen van hun werk. Hun aanhoudende kritiek luidt dat Uber beter voor zijn passagiers zorgt dan voor de chauffeurs.

Illustratief is de passage waarin de auteur lang met de CEO door San Francisco wandelt en een taxi pakt om terug te gaan. Een Ubertje, uiteraard. Als de chauffeur Kalanick herkent, is hij vol ontzag. Maar al gauw komt ook de kritiek op gang, voornamelijk over de technische ondersteuning. De topman belooft verbetering, en stuurt onmiddellijk een mailtje aan de directeur die hierover gaat. Veel lijkt er niet te veranderen. Maar ook al voelen de chauffeurs zich uitgeperst, ze beseffen ook dat Uber hun werkgelegenheid biedt die er anders niet zou zijn geweest.

Lashinsky’s boek is nog vers, maar het vertrek van Kalanick kon hij niet meer meenemen. Ook veel andere door de auteur aangehaalde topmannen zijn inmiddels al weer weg: Jeff Jones, die over de zelfrijdende auto’s ging; technicus Anthony Levandowski, een belangrijk klankbord voor Kalanick; Emil Michael, rechterhand van Kalanick; en bestuurder David Bonderman. In zekere zin leest Lashinsky’s boek daarom als een geschiedenis van Uber – als iets wat geweest is.

Die geschiedenis is smeuïg voor zover het opgediepte details uit de beginfase betreft, bijvoorbeeld dat Kalanick weer zin kreeg in ondernemen nadat hij Woody Allens film Vicky Cristina Barcelona had gezien. Maar Lashinsky laat ook steken vallen. Diverse keren stipt hij aan dat Uber botste met nationale regelgevingen, maar een analyse hiervan ontbreekt. Wat is bijvoorbeeld het verschil tussen de verboden snordersdienst UberPop en de kennelijk wel toegestane variant UberX? Is het meer dan nieuwe wijn in oude zakken?

Waar Lashinsky dan weer niets aan kan doen, is dat vooral in citaten het Engelse origineel er hinderlijk doorheen schijnt. ‘Mijn favoriete ding toen ik […] naar een start-up ging was hoe snel dingen gingen’, zegt een werkneemster van Uber bijvoorbeeld. ‘We waren een stel blije soldaten.’

Toch blijft het interessant te weten te komen of de auteur iets van de latere turbulentie voorvoelde. Het is zijn verdienste dat hij erin geslaagd is om diverse keren uitgebreid met de toenmalige CEO te spreken, zonder zijn kritische blik te verliezen. Zo schrijft hij over Kalanick: ‘Hij leek niet in staat zich, in het openbaar of privé, in te houden, alsof zijn openhartigheid een DNA-afdruk was van wie hij was, zoals het pigment van zijn ogen of de hoogte van zijn stem.’ Tegen het eind van het boek trekt Lashinsky de conclusie dat Uber ‘leed onder de consequenties van zijn reputatie – en die van Kalanick – die het bedrijf niet van zich af kon schudden’. Terecht, zo bleek.