In je eentje op de fiets van Kampala naar Mombassa

Mijl op zeven Niet de bestemming maar de reis is het doel. Saar Slegers (35) fietste in haar eentje 1.500 kilometer door Afrika. „Pas op voor mannetjesolifanten.”

Saar Slegers: „Naarmate de reis vordert krijg ik een netwerkje van lokale mensen.”

‘Het vakantiefietsen heb ik ontdekt in mijn studietijd. Ik wilde naar Hongarije, alleen, om het land te leren kennen. Maar, zo vroeg ik me af, wat ga ik daar precies doen? Het idee dat je op vakantie elke dag iets bijzonders moet doen, kan een bepaalde druk geven. Ik bedacht dat ik een fiets zou huren en door het land zou trekken, op die manier had ik vanzelf elke dag een doel, namelijk van A naar B komen. Het beviel zo goed dat ik daarna nog fietstochten heb gemaakt in onder meer Turkije, Iran, Syrië, Suriname, en in Afrika.

Wat mij het meest boeit in zo’n ver en vreemd gebied is hoe de mensen er leven. Hoe de maatschappij functioneert. Daarom ga ik ook graag in mijn eentje, dan maak je makkelijker contact. Maar voor elke reis moet ik even een drempel over. Vaak denk ik vlak voor vertrek: Is dit nu wel een goed idee? Dan kom ik daar als blanke westerling, op een fiets ook nog, hoe zullen de mensen mij zien? Maar zodra ik ben geland en mijn fiets uit de doos heb gepakt, zijn die twijfels verdwenen. Dan moet ik gewoon de weg vinden, eten en slapen, en zijn de mensen die ik tegenkom – juist omdat ik ze nodig heb voor dit soort praktische zaken – niet meer ‘mensen met een andere culturele achtergrond’ maar gewoon: mensen. En is de fiets ineens geen decadent, westers vervoermiddel meer, maar iets wat helpt om rollen te doorbreken. Zeker in Afrika, waar alle toeristen in een fourwheeldrive rijden.

Door het regenwoud

In de zomer van 2013 ben ik in zeven weken van Kampala, de hoofdstad van Oeganda, naar Mombassa in Kenia gefietst. Zo’n vijftienhonderd kilometer, langs het Victoriameer, de Witte Nijl over, en vandaar door het Kakamega-regenwoud en via het Naivashameer in de Riftvallei naar Nairobi. Door het land van de Masai, langs de Kilimanjaro naar Mombassa aan de Indische Oceaan. Keer op keer kreeg ik de vraag waarom ik me in ’s hemelsnaam per fiets verplaatste. Een kamermeisje vroeg of het soms boetedoening was. ‘Are you torturing yourself?’ Die nieuwsgierigheid van anderen greep ik aan om wedervragen te stellen, over hún leven. Geregeld kwam het tot een echt gesprek. Zoals met Sophie, de schoonmaakster in een bordeelachtig hotel, die me vertelde dat ze ‘de ziekte’ had, hiv, en daarom altijd een winterjas droeg, binnen en buiten, zodat ze geen kou zou vatten. Ik denk nog vaak aan haar.

Een kamermeisje vroeg of het soms boetedoening was. ‘Are you torturing yourself?’

Als vrouw alleen op een fiets in Afrika stel je je aan allerlei risico’s bloot. Maar op veel daarvan kun je je voorbereiden. Het verkeer is het gevaarlijkst, daarom draag ik altijd een helm en vermijd ik drukke wegen. Voor infectieziektes als malaria en knokkelkoorts blijf ik bang, ondanks voorzorgsmaatregelen. Lastig gevallen worden, op een bedreigende manier, overkomt me gelukkig zelden. Ik ben alert, maar tegelijk stel ik me open voor ontmoetingen. Dat levert naarmate de reis vordert een groeiende verzameling telefoonnummers op: een netwerkje van lokale mensen op wie ik kan terugvallen. Zoals die keer dat ik problemen had met de politie en me in het Engels niet verstaanbaar kon maken: toen belde ik iemand die voor me kon tolken.

Van Kampala naar Mombassa. Dit is niet precies de route die Slegers maakte.

Aan het einde van mijn tocht stond ik voor de keuze om per fiets of per bus door het Tsavo-wildpark te trekken. Ik vond het moeilijk het risico in te schatten, daarom belde ik Kakuta, een Masaikrijger en wildconservator die ik had ontmoet. Hij voorzag geen problemen als ik ging fietsen. Ik moest alleen wel opletten voor alleen lopende mannetjesolifanten; als ik er een zag, uit de buurt blijven en wachten tot hij verdwenen was.

Een Britse zakenman die me had rondgeleid in Nakuru National Park, adviseerde: ‘Zorg dat je altijd een beetje as bij de hand hebt. Als je een leeuw ziet, gooi dan wat as in de lucht. Als die wegwaait van jou en de leeuw, kan hij je niet ruiken en is er niets aan de hand.’ Dat klonk niet echt geruststellend, tot ik begreep dat de kans om overdag op de weg een leeuw tegen te komen miniem was. Meer dan een groepje olifanten in de verte kwam ik niet tegen, qua wilde dieren.

Twee dagen later, vlak voor mijn eindbestemming Mombassa, miste ik een kuil in de weg en smakte op het asfalt. Iemand kon mij nog net op tijd wegtrekken voor de wielen van een vrachtwagen. Zo legde ik het laatste stukje van mijn reis af in een ambulance en wist ik weer: het verkeer is het gevaarlijkst.”

In deze zomerserie vertellen mensen over een bijzondere reis.