Recensie

Nu deelt de Vietnamees mokerslagen uit

Over de Vietnamoorlog is vooral verteld vanuit de Amerikaan. De sympathisant geeft het woord nu eens aan een Vietnamese spion, en doet dat vilein en onvergetelijk.

Een soldaat van het Zuid-Vietnamese lege, in 1973, leunt tegen een Amerikaanse auto.

Wanneer we alle Vietnamese slachtoffers van de Vietnamoorlog op een rij zouden leggen, zou die rij 43 keer zo lang zijn dan die van Amerikaanse slachtoffers. Zouden we hetzelfde doen met alle boeken en films over de Amerikaanse en de Vietnamese kant van het conflict, dan werden we geconfronteerd met een wrange omkering.

Eén oorzaak van die discrepantie mag in Vietnam zelf worden gezocht: terugkijken op de oorlog strookte niet met de belangen van de Communistische Partij, die sinds de aftocht van de Amerikanen een herenigd Vietnam bestuurt, waardoor bijvoorbeeld Bao Ninhs The Sorrow of War (1994) pas een decennium na de Engelse editie in de oorspronkelijke taal verscheen, terwijl het werk van de dissidente schrijfster Duong Thu Huong verboden werd. Voorwaar geen aansporing.

Voor Amerikanen is zelfonderzoek een obsessie geworden, getuige films als The Deer Hunter, Apocalypse Now, Platoon, Full Metal Jacket en Born on the 4th of July en bekroonde en bejubelde boeken van schrijvers als Michael Herr (Dispatches), Tim O’Brien (The Things They Carried), Philip Caputo (A Rumor of War) en Karl Marlantes (Matterhorn). Daarin is Vietnam vooral een Amerikaans spiritueel conflict dat zich afspeelt binnen de context van de binnenlandse cultuuroorlog en de eerste scheuren in het exceptionalisme. Dat verklaart – naast bot racisme – waarom in het Amerikaanse collectieve geheugen Vietnamezen figuranten zijn, naam- en gezichtloze strijders die krijsend en schietend uit het woud komen, om binnen een paar seconden met een mooie filmsprong voor dood in de varens te verdwijnen.

Er zijn uitzonderingen – Robert Olen Butlers A Good Scent From Strange Mountain en Denis Johnsons meesterwerk Tree of Smoke kennen volwaardige Vietnamese personages – maar voor de meeste Amerikanen zijn Vietnamezen onzichtbaar, wat het makkelijker maakt je te verzoenen met tweeënhalf miljoen doden.

Superzelfvertrouwen

Voor de Vietnamezen zelf was de Amerikaanse Oorlog maar een hoofdstuk in het grotere verhaal van binnenlandse oorlogen, met als inzet zelfbeschikking en staatsinrichting. Hun representatie zal vooral moeten komen van Amerikaans-Vietnamese migranten, van wie een aantal zich sterk manifesteert, Viet Thanh Nguyen (1971) voorop. In diens gelaagde, gruwelijke en gruwelijk grappige debuutroman De sympathisant laat hij zien dat er meer dan één Vietnamees perspectief bestaat. De verteller van deze met de Pulitzer bekroonde roman omvat in zijn eentje zelfs al verscheidene perspectieven.

De titelfiguur is een kapitein die als rechterhand optreedt van een generaal die nauw samenwerkt met de Amerikanen. Tegelijk is de Kapitein spion voor de communisten. Zijn grote kracht (en zwakte) is dat hij met alle posities kan sympathiseren, wat niet los kan worden gezien van het feit dat hij zoon is van een Franse priester en een Vietnamese moeder. Een bastaard, dus. Niet de helft van iets, zoals zijn moeder hem op het hart drukte, maar het dubbele. Hij heeft gestudeerd in Amerika, waar hij zich de taal en de gebruiken van de Amerikanen eigen maakte, en niet toevallig een scriptie schreef over Graham Greene, auteur van Vietnam-klassieker The Quiet American, dat felle kritiek bevatte op de Amerikaanse bemoeienis.

Wanneer de Amerikanen in 1975 besluiten in dolle chaos de aftocht te blazen, worden ook de Generaal, diens familie en getrouwen geholpen aan een enkeltje VS, ‘land van supermarkten en supersnelwegen’, aldus de Kapitein, ‘van supersonische vliegtuigen en Superman, van supervliegdekschepen en de Superbowl! […] Hoewel ieder land zich op de een of andere manier superieur acht, was er nog nooit een land geweest dat in de federale bank van zijn narcisme zoveel „supertermen” muntte, dat niet alleen vol superzelfvertrouwen was maar ook supermachtig, en pas zou rusten als het ieder land ter wereld in een dubbele nelson hield tot het Uncle Sam riep.’ De Kapitein gaat mee, net als diens oorlogszuchtige vriend Bon, een man met ‘het uiterlijk van een knappe man die tot moes was geslagen’. Een andere boezemvriend, de communist Man, blijft achter en om zich op te werken in de herenigde Volksrepubliek.

De Kapitein blijft spioneren en stuurt gecodeerde brieven waarmee het communistisch bewind op de hoogte wordt gehouden van de halfbakken plannetjes van de vijand in ballingschap. Het is een treurig zooitje. Als de vluchtelingen niet in de bijstand zitten, zijn ze conciërge, baas van een pizzatent, monteur, bezorger, cafetariakok of, zoals de Generaal, slijter en restaurateur. Stuk voor stuk ‘aangevreten door de agressieve kanker die assimilatie heet’. Bon zit te verpieteren in het gedeelde appartementje, levend op bier en diepvriesmaaltijden, omdat er nu eenmaal weinig behoefte is aan iemand die ‘uit vliegtuigen kon springen, vijftig kilometer kon ploeteren met veertig kilo uitrusting op zijn rug, midden in de roos kon schieten met pistool en geweer en meer slaag kon incasseren dan zo’n gemaskerde en met olie ingewreven beroepsworstelaar op televisie.’

Het boek is feitelijk een schriftelijke bekentenis zoals communisten die vaak van hun gevangenen eisten, waarmee ik misschien al te veel verraad. Hoewel er gruwelen te bekennen vallen, maakt de cynische humor van de drank- en vrouwenliefhebber die aan het woord komt dat er veel te lachen is, waardoor de apotheose alleen maar harder aankomt.

Narcistisch Amerika

Een hoogtepunt is de periode dat de Kapitein als adviseur werkt op de set van een Hollywoodproductie waarin we nauwelijks verhuld Apocalypse Now herkennen, die onder twijfelachtige omstandigheden op de Filippijnen werd gedraaid. ‘Hoe meer ik aan de film werkte’, schrijft hij, ‘hoe meer ik ervan overtuigd raakte dat ik niet alleen technisch adviseur was bij een artistiek project, maar ook infiltrant bij een propagandaoperatie. […] Met films probeerde Amerika nu eenmaal de rest van de wereld murw te maken: voortdurend bestookte Hollywood het mentale afweermechanisme van het publiek met een hit, een salvo, een spektakel, een klapper, ja zelfs met blindgangers. Het ging er niet om welk verhaal het publiek te zien kreeg. Het ging erom dat ze het Amerikaanse verhaal te zien kregen en er gek op waren, tot ze op een dag zelf werden gebombardeerd door de vliegtuigen die ze in Amerikaanse films hadden gezien.’

Met De sympathisant deelt Viet Thanh Nguyen, vanuit het perspectief van de geboren buitenstaander, vele mokerslagen uit: aan narcistisch Amerika en diens soft power, aan de Vietnamees in ballingschap, aan het schrikbewind van het thuisland, aan de lezer. Hij doet dat deels vanuit zijn achtergrond als wetenschapper en auteur van studies als Race and Resistance en Nothing Ever Dies: Vietnam and the Memory of War, een diepgaande kennis die De sympathisant soortelijk gewicht verleent. Maar het knappe is dat hij erin geslaagd is die kennis te overstijgen met een onvergetelijk hoofdpersonage, een levendige vertelstem en vileine humor. Dat is geen genoegdoening voor de letterlijk duizenden gezichtloze Vietnamezen die slechts op mochten draven om de body count van de films (én de werkelijkheid) op te krikken, maar elke literaire triomf is er een. En in dit geval: wat voor een.