François Pinas werd geboren als slaaf

Koloniaal verleden

Met Keti Koti wordt zaterdag de afschaffing van de slavernij in 1863 herdacht en gevierd. De betovergrootvader van Dionne Rosendaal werd geboren als slaaf. Ze helpt met het digitaliseren van het slavenregister. “Hij is nu weer mens.”

Slaven anno 1830. Prenten P.J. Benoit via de UVA.

Dionne Rosendaal. Foto NRC

Dionne Rosendaal (48) herinnert zich nog de afbeeldingen van slaven in het huis waar ze als kind woonde. Haar moeder had die opgehangen. Ja, ze wist dat de plaatjes iets met haar voorouders te maken hadden. Maar ze realiseerde zich toen niet wat slavernij betekende. Laat staan dat ze wist dat de opa van haar opa slaaf was. Zijn naam: François Pinas. Zijn slavennaam: Petrus. Zijn eigenaar, vanaf Petrus’ geboorte, heette Schouten.

Petrus François Pinas was een van de slaven – tegenwoordig ook ‘tot slaaf gemaakten’ genoemd, naar het Engelse enslaved – die op plantages in Suriname werden geboren: de creolen. Daarnaast brachten handelaren tussen 1650 en 1830 naar schatting meer dan 200.000 slaven van Afrika naar Suriname, zogenoemde ‘zoutwaternegers’.

De trans-Atlantische slavenhandel werd in 1808 verboden, maar het houden van slaven tot 1863 niet. Zo ontstond illegale handel. Die werd vanaf 1826 tegengegaan door instelling van het slavenregister. Slaven en eigenaren werden daarin verplicht geregistreerd. Alleen slaven in eigendom van de overheid, gouvernementsslaven, werden er niet in opgenomen.

Ik wil de tot slaaf gemaakten hun waardigheid en identiteit teruggeven.

Van dit slavenregister, centraal bijgehouden in Paramaribo, zijn 43 boeken behouden gebleven. Vermoedelijk zijn er enkele verdwenen. Die 43 boeken, 30.000 pagina’s, worden nu allemaal gedigitaliseerd. Vorige week is het scannen ervan begonnen, daarna worden de scans uitgetypt.

Dionne Rosendaal helpt vanuit huis met overtypen. „Ik wil de tot slaaf gemaakten hun waardigheid en identiteit teruggeven.”

Ergens in die boeken moet ook haar betovergrootvader staan. Hij werd in 1838 geboren en leefde 25 jaar in slavernij op plantage Onverwacht, in het district Para. Daar moest hij in de jungle hout kappen en bewerken. Rosendaal heeft de indruk dat slaven op de houtgronden in Para vrijer waren dan andere, omdat er in de bossen nauwelijks toezicht was.

Na de afschaffing van de slavernij in 1863 – waarvan zaterdag de jaarlijkse herdenking is, Keti Koti – werkte hij nog tien jaar als contractarbeider. Daarna was hij helemaal vrij en kocht hij een deel van plantage Topibo. Hij stierf in juli 1883. „Godzijdank is hij nog tien jaar vrij geweest”, zegt zijn achterachterkleindochter.

Ook correspondent Nina Jurna ging op zoek naar haar wortels. Lees ook: Op zoek naar mijn Surinaamse roots: overgrootmoeder op de plantage

Martelwerktuigen

Rosendaal is geboren in Nederland, maar woonde van haar elfde tot haar veertiende in Suriname. Haar moeder nam haar daar mee naar een expositie over slavernij in Fort Zeelandia, om hun Surinaamse roots te laten zien. Ze zag er martelwerktuigen, zoals een metalen band die om de nek van een slaaf werd gedaan. Er zaten staken aan om te voorkomen dat een slaaf ging liggen. Dat was het moment waarop ze doordrongen werd van de gruwelen die haar voorouders hadden meegemaakt.

De zoektocht naar haar voorouders, die begon in 2004, verdiepte dat besef. „Toen pas ben ik me echt gaan inlezen en realiseerde ik me dat het zó veel mensen is aangedaan, in zo’n lange periode. Het is te groot om te bevatten.”

Het zoeken bracht gevoelens van trots en verdriet teweeg. Trots, omdat ze afstamt van zulke sterke mensen. „Ik heb veel respect voor ze. Ze hebben het doorstaan. Ik wil ze op een voetstuk zetten. Ik wil de verhalen levend houden, want je moet beseffen waar je vandaan komt.” En verdriet, omdat ze niet kan verkroppen dat mensen werden gedwongen tot arbeid en mishandeld om de kleinste dingen, zoals schoenen dragen. „En dan gaat het ook nog om je eigen voorouders.” Tranen vullen haar ogen. Dat haar grootvader in de Tweede Wereldoorlog gedwongen werd aan de Pakanbaroe-spoorweg in Indonesië te werken, versterkt het verdriet. „Eigenlijk kennen we twee periodes van slavernij in de familie.”

Rosendaal deed vanuit Waalwijk dertien jaar onderzoek naar haar voorvaderen. Ze kon tot dusver niet putten uit het slavenregister, omdat dat nooit online te doorzoeken was en de papieren versie in Suriname ligt. Ter vergelijking: de stamboom van haar Nederlandse oma had ze in een paar dagen uitgezocht tot 1600. Bij de Pinas-stamboom blijft ze steken in 1838, het geboortejaar van haar betovergrootvader.

Zoon van Petrus Pinas, Jonas, nog net in de periode van staatstoezicht. Rechts naast hem zijn vrouw Adolphina Jacquelina Fris. Foto-archief Dionne Rosendaal

Met het startpunt van haar stamboom had ze geluk: haar opa wist dat zijn opa Petrus François Pinas heette. En dat haar betovergrootvader een aandeel had in de plantage Topibo wist ze, omdat dit eigendom in de familie bleef tot de regering de plantage onteigende. Haar ouders namen haar als kind zelfs mee op zoek naar de plantage. In een knalgroene jeep trokken ze de jungle in, maar ze konden de plek niet vinden.

Zo vormde ze zich in de loop der jaren een beeld van het leven van haar betovergrootvader. Ze ontdekte dat hij zich na de afschaffing van de slavernij aansloot bij de Evangelische Broedergemeente. Als assistent van de zendeling van dit kerkgenootschap hielp hij bijvoorbeeld met de voorbereiding van de doop. Vaak leidde hij zelf kerkdiensten, omdat de zendeling niet zo vaak naar de plantage kwam.

Petrus François Pinas was een gelovige, rustige en bedachtzame man, staat in een levensbeschrijving van de Broedergemeente. Rosendaal: „Dat het is gelukt hem gestalte te geven, is een overwinning. Want mijn betovergrootvader was tot slaaf gemaakt, een bezit. Nu is hij weer mens.”

Een Europese kaaklijn

Inmiddels wil Dionne Rosendaal uitvinden wie de ouders van Petrus François Pinas waren. Ze heeft vermoedens. Uit documenten van de Broedergemeente blijkt dat Pinas’ vader een plantageopzichter of slaveneigenaar was die kinderen kreeg met verschillende vrouwen.

Ze laat een foto zien van Jonas, de zoon van Petrus François. „Wat mij opvalt, is zijn gelaat. Hij heeft een langgerekt hoofd en de kaaklijn van een Europeaan.”

Dat sterkt haar vermoeden dat de vader van Petrus François Pinas geen slaaf was, maar een koloniale meester. Ze hoopt dat het slavenregister helpt het verhaal van haar voorouders compleet te maken.

Weergave van slaven anno 1830.
Prent P.J. Benoit via UVA
Weergave van slaven anno 1830.
Prent P.J. Benoit
Weergave van slaven anno 1830.
Prent P.J. Benoit