Recensie

Gerrit die leeft en Gerrit die schrijft

In persoonlijke notities schrijft Anna Enquist treffend over het weggewerkte gevoelsleven van haar vriend, de dichter Gerrit Kouwenaar.

Illustratie Paul van der Steen

Toen er iets aan de hand was, wist hij zich geen raad. Gerrit Kouwenaar was al jarenlang nauw bevriend met Anna Enquist en haar echtgenoot Bengt, maar toen hun jongvolwassen dochter verongelukte, gaf de dichter niet thuis. Hij kon niet overkomen uit Frankrijk voor de begrafenis, ‘hij bleef daar op zijn terras zitten en aan ons denken’, noteert Enquist in Een tuin in de winter, haar Kouwenaar-memoires.

Er zit iets narrigs in dat terras, maar het voorval leidde toch niet tot scheurtjes of een barst in de vriendschap (zoals met andere vriendschappen van Enquist wel gebeurde). ‘Toen hij terug was in Nederland zagen we hem natuurlijk weer. Het was veranderd. Ook dat was veranderd. Ik zat daar wel, in Gerrits huiskamer, maar ik zei niets. Er was een sluier opgehangen tussen ons. Gerrit kon heel moeilijk praten over ons verlies, en dat gaf mij wel eens het idee dat hij het zich niet realiseerde. Dat was niet zo, ik begreep later van anderen dat hij er wel degelijk aan dacht en dat hij zich grote zorgen over ons maakte.’

Zoals mooie biografische documentaires één scène hebben die alles in zich samenbalt, zo lijkt me deze herinnering de cruciale in Een tuin in de winter, een nieuw, van omvang bescheiden deel in de serie Privé-domein. Het is de scène die de twee mensen toont, in relatie tot elkaar, blijk gevend van allerlei complexe emoties. Dat zij midden in het stille tumult naar hém kwam, dat ze die sluier daar voelde hangen, zijn onmacht, en dat die geen breuk veroorzaakte, dankzij haar begrip, maar wel ergernis opriep – waarop ze een zin later terugkomt, omdat ze later heeft gehoord, van ánderen nota bene, wat tussen hen kennelijk altijd onuitgesproken bleef.

Er staan in Een tuin in de winter ook minder betekenisvolle herinneringen beschreven. De notities lezen aanvankelijk als wat ongerichte, lukrake herinneringen aan een eigenlijk heel gewone vriendschap, overigens wel steeds met een fijn gevoel voor humor. Ze worden pregnant als het leven zich versmalt tot wat zich in Kouwenaars onveranderlijke interieur afspeelt – zijn hermetisch ingerichte huis, bedoel ik. Daar zien we de oude man vereenzamen, wanneer zijn vrouw Paula gaat dementeren, in een verzorgingstehuis belandt, sterft. Dan resteert er een leven waarin Enquist en haar man ‘Chinees eten in plastic bakjes’ komen brengen, ‘citroenkip, dat had hij een vorige keer wel lekker gevonden’.

Maar uiteindelijk lezen we een boek als dit natuurlijk niet alleen dáárvoor. De herinneringen van de ene dichter aan de andere – ja, Een tuin in de winter biedt óók een blik op het dichterschap van de laureaat van de P.C. Hooft-prijs 1977 en de Prijs der Nederlandse Letteren 1989. Een blik, Enquists blik – zoals dit háár herinneringen zijn, wat ze ook pontificaal-verdedigend benoemt.

De vriendschap duurde ruim twintig jaar, tot Kouwenaars overlijden in 2014, en begon ooit in de marge van een poëziefestival. Niet dat daar zielen werden blootgelegd – integendeel. Ze babbelden domweg over ongemakken, maar waren daarna ‘in elkaars gedachtewereld geïntegreerd’. Zo’n beschrijving verraadt hoe Enquist, de psychoanalytica, Kouwenaar ook zag als iemand die met wat plezierige aandacht te doorgronden zou zijn, en dan zijn raadselen nog niet wilde prijsgeven – zoals een goed gedicht.

De hermetische dichter komt uit Een tuin in de winter naar voren als een hermetische man. Kouwenaar was iemand die niet het hart op de tong had, maar de woorden langzaam wilde laten neerdalen op bedachtzaam papier, waarna ze bijgeschaafd werden. Dat was in overeenstemming met zijn literatuuropvatting. Gedichten over gevoelens: bah. Gedichten die troosten: brr. Bij Kouwenaar moesten gedichten ‘gebouwd worden, van woorden gemaakt, zodat van alles wat de dichter meemaakt en overdenkt een afdruk in taal wordt achtergelaten’, duidt Enquist in haar inleiding op Van woorden gemaakt, de selectie van Kouwenaars poëzie die ook net is verschenen. (Die inleiding had ook wel in het Privé-domein opgenomen mogen worden, zo kloek en treffend schetst Enquist daar Kouwenaars poëtische ontwikkeling.) Door die werkwijze, van afstand nemen, ‘valt de afdruk in taal nooit totaal samen met de beleefde werkelijkheid’, analyseert ze, en dat betekent ‘dat de schrijvende persoon, Gerrit dus, uit twee delen bestaat: degene die leeft en degene die gedichten maakt’.

Zijn er dan twéé Kouwenaars? Alleen volgens hemzelf – die, nota bene, vooral in enkele vroege gedichten en vergeten romans het achterste van zijn tong liet zien over zijn oorlogstrauma’s –, maar niet volgens Enquist. ‘Ik heb zijn poëzie altijd zoekend naar gevoelens gelezen en heb me laten ontroeren als ik ze vond. Het getheoretiseer over ‘het gedicht is van taal’ legde ik naast me neer’, schrijft ze openhartig in Een tuin in de winter. Want, zoals ze in Van woorden gemaakt poneert: ‘De mooiste, de sterkste gedichten zijn die waarin onder de karige, uitgebeende oppervlakte van zijn taal het vuur van het weggewerkte gevoel zindert.’

Die gedichten kwamen er in Kouwenaars late werk steeds meer. Denk aan de gevoelige, persoonlijke bundel totaal witte kamer (2003). Het hing ook samen met Kouwenaars teleurstelling dat poëzie de werkelijkheid toch nooit écht kon vangen in een afdruk van taal. En: ‘Wie weet’, speculeert Enquist, ‘had mijn schaamteloze toewending tot de wereld van de emoties heimelijk een aantrekkingskracht voor Gerrit en kon hij daarmee uit de voeten omdat ik geen generatiegenoot, geen concurrent was maar een vriendin.’ Wie weet – die woorden doen je weer realiseren dat je geen geschiedschrijving leest, maar persoonlijke notities. Er is nog een mooie biografie van Kouwenaar te maken.

Maar hoezeer ook door Enquists ogen: haar herinneringen laten zien dat het beeld van Kouwenaar als hermetische dichter naadloos aansluit bij de man die Kouwenaar (1923-2014) was. Maar hij was niet gespeend van gevoel. Heftige emoties: we begrijpen dat hij er wel degelijk aan dacht, al horen we dat nu van een ander.