Geen yogagoeroe is zo flexibel als de pissebed

In de zomer trekt de mens naar buiten en treft daar onwelkome andere soorten. Ze zoemen, steken of zuigen. Toch zijn die rotbeesten zo slecht nog niet. Vandaag: ode aan de pissebed.

Illustratie Tjarko van der Pol

Die naam, dat hadden we niet moeten doen. Te flauw om je op die manier tot pispaaltje te maken. Sorry. Want eigenlijk ben je juist zo’n stoer dier. Je uiterlijk alleen al: een stevig pantser, een harnas dat je beschermt tegen medebewoners van de ondergrond. De Engelsen noemen je ‘roly poly’: als er gevaar dreigt, rol je je op tot een grijs kogeltje. Geen yogagoeroe die je dat nadoet.

Je verre familieleden – de krab en de kreeft – vind je op menukaarten, maar geen sjiek restaurant dat jou zou willen hebben. Terwijl je vanuit evolutie-oogpunt veel verfijnder bent dan zij: jij hebt je als enige tot landdier ontwikkeld. Natuurlijk, je ademt nog altijd door kieuwen (daarom moet je ook per se in vochtige bodem leven), maar verder ben je een echte landrot.

Bovendien ben je minstens zo culinair verantwoord. Al eeuwenlang word je, vaak in gemalen toestand, genuttigd om allerlei kwaaltjes te verhelpen. Bedplassers moesten je opeten omdat de stof die je uit je achterste pootjes afscheidt heilzaam zou zijn voor de blaas. Soms werd je in een medaillon om de nek gedragen, zodat de drager je kon slikken bij maagkrampen.

Zelf heb je ook rare dieetgewoonten - rottend hout, dode bladeren – maar daar zijn we blij mee: zo recycle je voedingsstoffen en houd je de bodem vruchtbaar.

Natuurlijk heb je ook mindere kanten. Bij gebrek aan plantaardig voedsel doe je je soms tegoed aan een vervellende soortgenoot – regelmatig groeien jullie uit je schild, en tijdens zo’n vervellingsfase is je maatje een makkelijke prooi. En dat je als jonkie de uitwerpselen van je moeder at is evenmin fris te noemen. Maar verder ben je een wonderlijk, nuttig dier, lieve pissebed.