Dubuffets krabbelbeelden staan een zomer in tuin van het Rijks

Nu te zien in de tuin van het Rijksmuseum: twaalf van de monumentale beelden van de Franse kunstenaar Jean Dubuffet (1901-1985).

Foto Peter Vermaas

Met een slijptol probeert de medewerker van het verhuisbedrijf het beeld van zijn sokkel te krijgen. Calamuchon, een van de monumentale sculpturen van de Franse kunstenaar Jean Dubuffet (1901-1985) die nu in de tuin van het Rijksmuseum te zien zijn, helt vervaarlijk voorover als hij half juni wordt klaargemaakt voor transport naar Amsterdam.

De voeten van de fantasiefiguur uit Dubuffets beroemdste periode, die van de Hourloupe, zijn ingepakt met dekens om het overspringen van vonken te voorkomen. Een brandblusser staat binnen handbereik. „Hij is nog nooit van zijn plek geweest, maar zou niet moeten breken”, lacht Richard Dhoedt onderkoeld tegen de bezorgd kijkende kunstverhuizers.

‘Le Deviseur I’ (1969–2006). Collectie Paul Schärer. Fondation Dubuffet, Paris. Foto Johannes Schwartz

De 72-jarige Dhoedt kan het weten. Hij was jarenlang chef d’atelier van Dubuffet. De kunstenaar maakte maquettes, meestal van piepschuim, waarna Dhoedt die tot de bedoelde grootte opblies. Dat gebeurde meestal hier, in Périgny-sur-Yerres – een dorpje op drie kwartier van Parijs.

Dubuffet woonde en werkte vooral in de Franse hoofdstad en in het zuiden, maar hij had hier een stuk grond gekocht naast de toenmalige producent van het door hem gebruikte epoxyhars voor de grotere sculpturen. „Het werd voor hem ook een plek om zich terug te trekken, waar hij kon nadenken”, zegt Dhoedt.

De door Dubuffet bij leven opgerichte stichting die zijn werk bijeen moest houden, is hier nog altijd gevestigd. Een museumzaaltje toont de schilderijen uit de periode van voor Dubuffet de theoreticus werd van de ‘art brut’, de spontane kunst van “gekken” die zich van kunstconventies niets zou aantrekken. Een volgend zaaltje toont werk van zijn laatste levensjaren.

Meest herkenbaar zijn de wonderlijke beelden uit de Hourloupe-tijd (1962-1974). Die grillige vormen ontstonden volgens de door Dubuffet zelf gecultiveerde overlevering tijdens lange telefoongesprekken als hij met een blauwe en een rode balpen een beetje op papier krabbelde. Hij knipte die plaatjes uit, herschikte ze en maakte er aanvankelijk collages van. Later werden het driedimensionale beelden en zelfs imaginaire architectuurprojecten, zoals de betonnen en epoxy-kunsttuin Jardin d’émail die hij in het Kröller-Müller heeft gerealiseerd.

Aan de andere kant van het park is een voormalig atelier waarin tientallen maquettes van al dan niet gerealiseerde opdrachten staan uitgestald. Hoewel hier ook de kleine, hanteerbare versie van Calamuchon (1973) staat, springen de architectonische projecten het meest in het oog.

Hier staat niet alleen de oorspronkelijke versie van de Jardin d’émail, maar ook de voor het hoofdkantoor van Renault bedoelde Salon d’Eté, een imaginaire stad die al in aanbouw was maar na een bestuurswisseling bij de autofabrikant midden jaren zeventig werd afbesteld.

Jean Dubuffet, Closerie Falbala
Foto Peter Vermaas
Jean Dubuffet, Closerie Falbala
Foto Peter Vermaas
Jean Dubuffet, Closerie Falbala
Foto Peter Vermaas

Geheel voor zichzelf en op eigen kosten had hij hier in Périgny toen al de ruim 1.600 vierkante meter grote Closerie Falbala gemaakt, tegenwoordig een van de jongste nationale monumenten van Frankrijk. Het immense zwart-witte kunstlandschap ligt verscholen in een bos, maar lijkt door het verblindend wit van de glooiingen licht af te geven. In het midden staat de Villa Falbala, een artificiële grot waarin de ‘kunstenaar-filosoof’ zich tussen zijn eigen werk terugtrok om te contempleren.

„Wie Dubuffet wil begrijpen zou hier lange tijd moeten doorbrengen”, zegt Sandrine Sachy van de Fondation. Maar dat is helaas niet toegestaan.