Meer per leerling, minder per student

Onderwijs Sinds de jaren vijftig zijn de uitgaven in het lager en hoger onderwijs naar elkaar toe gegroeid. De kosten per leerling in het basisonderwijs stegen, die per student in het wetenschappelijk onderwijs daalden.

Basisschoolleraren staken deze dinsdag voor hogere lonen en verlichting van de werkdruk. Foto Bas Czerwinski/ANP, bewerking NRC

De uitgaven per leerling in het basisonderwijs zijn gestegen sinds 1952. De voor inflatie gecorrigeerde uitgaven per universiteitsstudent vertonen daarentegen sinds 1967 een continu dalende lijn.

Dat blijkt uit onderzoek van Robert Vermeulen in 2006 voor de Universiteit Maastricht, dat op verzoek van NRC is geactualiseerd door Lex Borghans, hoogleraar onderwijseconomie aan die universiteit.

„We zien een convergentie tussen wetenschappelijk onderwijs en andere vormen van onderwijs. Vroeger was het verschil veel groter”, zegt Borghans. Dat de kosten van het basisonderwijs relatief sterk zijn gestegen, kan volgens Borghans komen door hogere lonen of doordat er meer mensen aan het werk waren – door kleinere klassen bijvoorbeeld.

Deze dinsdag staken leraren van het basisonderwijs voor hogere lonen en verlichting van de werkdruk. De ruim 700 miljoen die het kabinet extra wil uitgeven aan het basisonderwijs vinden ze niet genoeg.

Volgens onderwijshistoricus Pieter Slaman zijn sinds de jaren zestig bij het basisonderwijs de kosten voor het speciaal onderwijs het sterkst gegroeid – de leerlingen in het reguliere onderwijs merkten daar weinig van. Slaman is universitair docent en onderzoeker aan de Universiteit Leiden. Hij werkt mee aan een bundel over honderd jaar ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die volgend jaar uitkomt.

Nadat in de jaren zestig de laatste babyboomers naar de basisschool waren gegaan, meldden zich agogen, orthopedagogen en onderwijskundigen die zich steeds meer richtten op kinderen die afweken van de geldende norm. „Er ontstonden verzorgingsstructuren. De minister van onderwijs, Jos van Kemenade [PvdA], heeft zich daar in de jaren zeventig hard voor gemaakt”, zegt Slaman.

Minder speciaal onderwijs

De kosten van het speciaal onderwijs stegen zo sterk dat in 1998 een nieuwe wet werd aangenomen om zorgleerlingen zoveel mogelijk in het reguliere onderwijs terecht te laten komen. Dat was een verzwaring van de taak van de leerkracht. De Algemene Rekenkamer constateerde onlangs dat onduidelijk is waaraan de extra miljarden worden besteed die daarvoor beschikbaar zijn gesteld.

In de jaren zestig en zeventig werden de klassen kleiner. In de jaren tachtig werd dat teruggedraaid en na 2000 begon de verkleining van de klassen opnieuw. Het voortgezet onderwijs werd duurder door de verlenging van de leerplicht tot uiteindelijk 16 jaar.

In het hoger onderwijs stegen de kosten doordat steeds meer jongeren gingen studeren. Bij de universiteit gaat de groei door, door de aanwas van buitenlandse studenten. Driekwart van hen komt uit andere EU-landen. Zij kosten de overheid evenveel geld als Nederlandse studenten.

Langstudeerders

Tot in de jaren zeventig konden studenten, toen nog beperkt in aantal, zo lang als ze wilden studeren, met een ruime beurs of een hoge kinderbijslag voor de ouders. Minister Arie Pais (VVD) maakte daar in 1981 een einde aan door invoering van de tweefasenstructuur. De voor studenten gefinancierde studieduur werd uiteindelijk tot vier jaar beperkt. Er kwam een beperkte basisbeurs voor iedereen. Tegenwoordig is die er alleen voor studenten van wie de ouders weinig verdienen. Ook de geldstroom van onvoorwaardelijke overheidsbijdragen aan instellingen werd kleiner.

Een omslag is volgens Slaman de invoering van de zogeheten lumpsumfinanciering. De universiteitsbesturen krijgen betaald per student en zijn verantwoordelijk voor het budget. Niet de politiek, maar de besturen worden dan aangesproken op de verdeling het geld. Slaman merkt om zich heen hoe het aantal studenten aan de universiteit toeneemt. Dat wordt bijvoorbeeld opgevangen met steeds meer hoorcolleges.