De val van Nederland tennisland

Problemen in het tennis

Het Nederlandse toptennis kwakkelt al jaren. Uit gesprekken met betrokkenen, aan de vooravond van Wimbledon, doemt een somber beeld op. Structuur en topsportcultuur ontbreken.

Vorige week werd in Alkmaar een zogeheten future gespeeld, de laagste categorie in het proftennis. Spelers moesten zelf ballen rapen en de baan vegen. Het inschrijfgeld bedroeg 40 euro. Foto Olaf Kraak

Vele beloften stopten in stilte. De geest bleek te wankel, het lichaam te breekbaar, het leven als prof te zwaar. Tennis is onverbiddelijk voor diegenen met tekortkomingen. Nederlands tweede sport voelt de gevolgen. De talentenstroom droogt op.

Nederland, tennisland kraakt. De bondsjeugdopleiding is vruchteloos, jaren achtereen. Een gat valt achter de huidige generatie met Robin Haase en Kiki Bertens, lichtpunten in jaren van schaarste. Hun incidentele successen verbloemen de dieper liggende problemen.

Maandag begint Wimbledon, het laatste grandslamtoernooi waar een Nederlander het enkelspel won; Richard Krajicek in 1996. NRC sprak met ruim twintig betrokkenen over de oorzaken van de structurele neergang. Er doemt een beeld op van een tennislandschap van polderen, van mentale problemen, van een gebrek aan topsportcultuur. Slopers worden niet gecreëerd, hier achter de dijken.

Het verval van het Nederlands tennis ontleed.

Het talent en de depressie

Hij had nu in de tophonderd moeten staan: Justin Eleveld (25) uit Enschede. De grote belofte, acht jaar terug. Iemand over wie Krajicek zegt: „Die jongen was echt goed.” We zitten in brasserie De Kater aan de Oude Markt in Enschede. Een Twents dialect klinkt door in zijn stem.

Hij is scherp over de begeleiding vanuit de tennisbond, de KNLTB. Eleveld: „Mij heeft het niet goed gedaan, de tijd dat ik bij de bond heb gezeten. Ik heb veel geleerd, op tennisgebied. Maar psychisch en mentaal is het niet goed geweest. Er waren zoveel mensen die bepaalde dingen van mij verlangden.”

Hij traint vanaf zijn tiende bij de bond en krijgt een plek in de nationale jeugdselectie, waarbij talenten gesteund worden op gebied van coaching en financiën. Hij vertrekt jong naar Almere, waar het nationaal trainingscentrum zit. Op zijn veertiende raakt hij zwaar geblesseerd aan zijn schouder. Hij krijgt een brief van de bond: hij is niet meer welkom. Er is geen afscheidsgesprek. Het voelt kil, zakelijk.

Hij leeft daarna op, zijn ouders steunen hem financieel en onder privécoach Roland van Leeuwen wint hij internationale jeugdtoernooien. De bond wil hem terug. Hij komt in 2009, op zijn zestiende, in Jong Oranje. Dat bestaat dan uit slechts twee spelers: Eleveld en de één jaar jongere Jannick Lupescu.

„Wij moesten het gaan doen voor Nederland.” Ze trekken de wereld over, trainen samen, delen hotelkamers, winnen op de Australian Open-junioren de dubbel.

Zijn frustratie: er zit geen lijn in de begeleiding. In 2010 gaan er zeker acht verschillende trainers mee naar hun toernooien, zegt Eleveld. „Er was totaal geen structuur. Het was een rommeltje.” Hij bouwt een goede band op met de Belgische trainer Gunter Van Der Veeren, maar daarvan wordt na twee maanden afscheid genomen. „Ik ben een vrij gevoelig persoon, introvert. Ik kon hem alles vertellen wat mij dwarszat. Maar dat ging kapot omdat er een ander in zijn plaats kwam.”

Technisch en tactisch leggen de trainers hun accenten bij Eleveld. „De ene wilde dat ik een langere achterzwaai maakte met mijn forehand, de ander vond dat ik mijn greep een klein beetje moest verdraaien.” Volgens meerdere coaches is dit funest; in de ontwikkeling van een tennistalent is het cruciaal dat er één lijn wordt gevolgd.

Eleveld voelt druk vanuit de bond. Een van de doelen die hij moet halen om in Jong Oranje te blijven, ter illustratie: op zijn zeventiende de mondiale topvijftig halen bij de junioren. Hij zegt: „Die doelen, dat werkt niet. Ontwikkeling is het belangrijkste in de jeugdjaren, dat kan je niet altijd afmeten aan de ranglijst.”

De stress sloopt hem. Hij zoekt hulp bij een psycholoog, bij een psychiater en krijgt medicatie. „Ik durfde niet meer te spelen, ik durfde niet meer op de toernooien te zijn. Waar ik ook was, werd ik ziek, misselijk.” Voor wedstrijden moet hij overgeven.

In oktober 2010, op zijn achttiende, gaat het mis op een Future-toernooi (derde niveau) in het Kazachstaanse Astana. Hij geeft op tegen een onbekende Zwitser. „Ik werd zo kotsmisselijk dat ik flauwviel op de baan.” Het betekent indirect het einde van zijn profbestaan. Na thuiskomst reist hij drie jaar niet meer.

Hij raakt depressief, zit vijf maanden thuis, houdt vrienden af. „Ik kon niks meer. Al die jaren dat ik stress voelde, kwamen tot uiting.”

Hij woont nu samen, doet een studie fysiotherapie en tennist weer – prof zal hij niet meer worden. Een kleine drie jaar kostte het herstel, de psychische littekens zijn blijvend. Als hij naar het buitenland gaat, komt de angst van vroeger terug: het moeten presteren. De schuldvraag voor zijn val legt hij niet bij de bond. Wel zegt hij: „Als ik het over mocht doen, zou ik het buiten de bond om doen.”

Foto Olaf Kraak

We lopen achter

Jong Oranje heeft geen spelers, op dit moment. De bond zette in op Tim van Rijthoven (20), maar die werd getroffen door een slepende elleboogblessure. En afgelopen winter raakte hij tijdens het snowboarden geblesseerd aan zijn rechterpols, waarmee hij speelt. Hij is geopereerd, na de zomer wordt zijn rentree verwacht.

Het verontrustende: hij is bij de mannen het enige talent van wie de komende jaren iets verwacht mag worden.

Nederland zit, als traditioneel tennisland, in de verdrukking. De laatste jaren stonden er nauwelijks junioren in de grand slams. Die ontwikkeling valt samen met een sport die mondialiseert. Verschillende regio’s zonder tennistraditie rukken op, zoals Azië, de Baltische staten en de Balkan. Zo speelden vorige maand op Roland Garros vier junioren uit Taiwan.

„We lopen bij de jeugd achter als het gaat om het spelen van internationale wedstrijden”, zegt Tjerk Bogtstra. Hij is voormalig Davis Cup-captain en runt sinds 2010 een tennisacademie in Doorn. In Nederland is het gangbaar om eerst de middelbare school af te maken en daarna fulltime te gaan tennissen, waar de jeugd in andere landen (met name in Oost-Europa) eerder die stap maakt. Buitenlandse jeugdspelers maken volgens Bogtstra meer gebruik van online schooling – ofwel studeren op reis – dan de Nederlandse.

Als voorbeeld geeft hij het 16-jarige talent Sidane Pontjodikromo, die hij begeleidt. Hij heeft net zijn havo gehaald, internationale toernooien kon hij niet spelen. „Hij heeft zeker tientallen wedstrijden minder gespeeld ten opzichte van jongens uit het buitenland.”

Volgens Bogtstra zijn er de afgelopen jaren minstens tien jeugdspelers uit Nederland vertrokken omdat het schoolsysteem hier belemmerend zou werken. „Dat is een gevaarlijke tendens. Er komt dan veel druk te liggen op het kind.”

In Nederland zijn dertig zogeheten LOOT-scholen, waar rekening wordt gehouden met de topsportcarrière. Maar voor de meeste spelers bij Bogtstra werkt dat niet, de dichtstbijzijnde vestiging zit op drie kwartier van zijn academie.

De geest als vijand

In 2010 staat hij in de finale van de Orange Bowl in Miami, dat geldt als het meest prestigieuze jeugdtoernooi. Nu geeft Jannick Lupescu, 23-jarig ex-talent uit het Zuid-Hollandse ’s-Gravendeel, tennisles. In de jeugd trekt hij jarenlang op met Justin Eleveld. Hun doel: de tenniswereld bestormen. Het eindigt ontnuchterend.

Drie jaar terug stopte hij, blessures verstoorden zijn ontwikkeling. En hij was „mentaal nooit de sterkste”. Lupescu gaat rechtop zitten in het café in Dordrecht. Concentratie op de baan was het probleem. „Ik kan mij aan heel veel dingen ergeren. Ik zie alles om me heen, weet precies waar iedereen zit. Al zit er een vlieg linksboven op de lantaarnpaal dan zou ik hem nog zien, en dan zou ik me eraan kunnen storen.”

Er is aan gewerkt, hij kreeg mentale trainingen van Jackie Reardon, die meerdere tennissers begeleidde. Maar er iets mee doen was een tweede. „Je bent jong en wilt dat nog niet inzien.”

Zijn mentale problemen staan niet op zich, meerdere Nederlandse (oud-)tennissers hebben er last van, recentelijk Bertens nog op Roland Garros. De geestelijke strijd is misschien ook de reden dat Nicolette van Uitert (26) nooit doorbrak.

Ze wilde zich bewijzen tegenover mensen die veel investeerden, zoals de bond en haar ouders. „Mijn ouders werkten puur voor mij en daardoor legde ik mezelf druk op.” Op jaarbasis ging het om 30.000 euro, schat ze. Hoe langer resultaten uitbleven, hoe groter de last werd. Als ze tegen iemand speelde van wie ze wist dat ze moest winnen blokkeerde ze: onzeker, zenuwen, snel denken aan verlies.

Ook zij werd begeleid door Reardon. Het hielp tot op zekere hoogte. Maar ze balanceerde op een dun koordje, vertelt ze in lunchroom ’n Tikkie Ouder in Vlaardingen, de stad waar ze opgroeide. „Het was alles of niets. Er was geen middenweg.” Tennis werd een strijd met haarzelf. „Ik ben het plezier in tennis op een gegeven moment helemaal verloren.”

Ze speelde haar beste tennis toen ze besloten had te stoppen, in 2013. In de Egyptische badplaats Sharm-el-Sheikh won ze een future. De reden: ze werd niet langer gegijzeld door de druk van het moeten winnen en speelde ontspannen. „Want ik wist: het is klaar.”

Tanken in Almere

Almere is de plek waar ze gekneed moeten worden, de toptalenten. Daar, op het nationaal trainingscentrum op de Koninginneweg 1, komen ze samen onder leiding van de bondstrainers. Het idee: elkaar beter maken, opjagen, grenzen verleggen.

In het verleden ontbrak het er aan een cultuur waarin de jeugd maximaal getest werd, blijkt uit verhalen van betrokkenen. „Als je hier vroeger een jongen had die keihard werkte, werd hij bijna uitgelachen”, zegt Thiemo de Bakker, die veel in Almere trainde.

Robin Haase vertelde in 2015 tijdens Roland Garros dat hij een aantal jaar terug niet meer in Almere kwam omdat „er niet goed genoeg werd getraind”. „Er waren vroeger veel jongens die het niet boeide, die ‘tankten’. Als we een setje gingen spelen kon ik het bord al op 6-0 zetten, dat vonden ze wel goed zo. Daarom is er nu een gat, omdat er ontzettend veel waren met die houding.”

De instelling is bij de nieuwe lichtingen verbeterd, voegde Haase toe. Ze zijn gedreven, willen hem verslaan in oefenpotjes. Die verandering ziet De Bakker ook. „Alleen: er gaat tijd overheen. Een cultuur ga je niet zomaar veranderen.”

Almere is niet de kraamkamer die het zou moeten zijn. De locatie inspireert niet. Eleveld zat er jarenlang in een hotel. „Het was een eenzaam leven. Je gaat je vervelen. Ik had niemand om mij heen.” Er wordt in Almere – eind 2018 verhuist de bond naar Amstelveen – bijna nooit in het weekend getraind. „Iedereen is dan vrij, alle coaches ook, behalve tijdens toernooien”, zegt Lupescu. „Als je dat in Rusland vertelt, lachen ze je uit.”

De term is onvermijdelijk: „De topsportcultuur was niet op het gewenste niveau. En nog steeds niet”, zegt Erik Poel, algemeen directeur van de bond. Hij bedoelt: als je naar Almere komt draai je een volledig programma, ben je op tijd, doe je de warming-up. Dat waren geen vanzelfsprekendheden.

In dat licht moet ook het vertrek in maart van Jan Siemerink worden gezien. Hij was 4,5 jaar directeur sportief en tien jaar Davis Cup-captain. Zijn contract werd niet verlengd. „Jan is in een hele moeilijke periode begonnen, heeft veel goede dingen gedaan. Het echt creëren van die topsportcultuur, daar had hij meer aan kunnen doen”, zegt Rolf Thung, die zelf opstapte als bondsvoorzitter.

Siemerink moest „misschien te veel concessies doen om niet die harde maatregelen te nemen”, zegt Thung. Het zat hem deels in de aansturing, zegt Poel. „Het net onvoldoende aanspreken van trainers en talenten op zaken.” Siemerink wil niet reageren. Jacco Eltingh is onlangs aangesteld als zijn opvolger.

Krajicek wordt gesloopt

Op het heetst van de dag wordt de 18-jarige Richard Krajicek in 1990 in Azië gehard door bondscoach Stanley Franker. Vijf weken verblijven ze daar voor toernooien in Hongkong, Kuala Lumpur, Seoul, Singapore en Bangkok. Zijn resultaten worden met de week minder, zijn tennis slechter. Maar ondertussen wordt hij gevormd als prof. Na nederlagen wachten de trainingssessies met de meedogenloze Franker. Die ‘kilt’ hem in de hitte.

Na die weken is hij „moe en gedesillusioneerd”, vertelt hij. „Het liefst wilde ik na de tweede week naar huis.” Maar hij had geen keus. „Ik moest daar blijven, ik zat bij de bond en had zelf geen geld om terug te vliegen.” Hij beschouwt het nu als de belangrijkste trip in zijn carrière.

De overstap van jeugd naar profs is complex, zegt Krajicek. Hij kent spelers die rijden op vrijdagmiddag net over de grens in Duitsland of België voor een toernooi, spelen zaterdag kwalificatie, verliezen, en zijn die middag weer thuis. Het is een soort internationaal campingtennis. „Dan kom je niet in een ritme, je test jezelf niet, vooral niet mentaal.”

Als hij jonge profs advies kan geven, is het dit: ga met een groepje van vier acht weken naar een warm oord, train twee weken, speel drie toernooien, train een week en speel nog een paar toernooien. Volgens het principe: spelers máken spelers. „Spreek af dat je elkaar pusht. En wat er ook gebeurt, ga niet naar huis.”

Het moet vooral leuk zijn

Henk van Hulst is een van de godfathers van het Nederlandse tennis, als voormalig trainer van Paul Haarhuis, Jacco Eltingh, Sjeng Schalken en John van Lottum. Hij is 75 maar oogt 60, zonbruin gezicht, moderne bril, korte broek.

Als iemand de tijd heeft zien veranderen, is hij het. Zijn spijkerharde aanpak wordt geroemd, maar is niet meer van deze tijd, erkent hij. „Wat ik vroeger heb uitgehaald, dat kan nu niet meer. Dan staat de politie aan de deur.”

Hij vertelt over die keer dat hij met zijn spelers in een kring stond en hij Van Lottum, die bekendstond als onevenwichtig, uitdaagde dat hij niet kon incasseren. Van Hulst gaf een klap op Van Lottums gezicht toen die reageerde. „Zo ging dat.”

Nu willen ouders dat hun kinderen vooral een plezierige dag hebben, ook na een nederlaag. Zoon Willem Jan van Hulst, die de academie in Valkenswaard heeft overgenomen: „Wij hebben eens meegemaakt dat een kind verloor en dat erna in de stad iets gekocht moest worden, dan was de dag leuk afgesloten.”

Het fanatisme, het pijn lijden, het urenlang trainen – het lijkt te ontbreken. De weg van de minste weerstand heeft zijn intrede gedaan. Henk: „Er zijn zoveel goede talenten die absoluut niet kunnen werken. Het kind wordt geadoreerd door het thuisfront en door de trainer.”

De omgang tussen trainer, speler en ouders is veranderd, zegt oud-speler Thung. „Dertig jaar geleden zeiden ouders: geweldig dat u onze dochter hard aanpakt. Nu komen ze bij de leraar verhaal halen.”

Het tennislandschap „is een beetje vergiftigd”, zegt Raemon Sluiter. Er wordt door spelers „verschrikkelijk veel gewisseld” van tennisschool. De oud-prof is nu bijna twee jaar coach van Bertens en werkte daarvoor bij de bond als jeugdtrainer. In die tijd zag hij het regelmatig gebeuren dat een talent, dat in de groei zat, tijdelijk zijn coördinatie kwijtraakte waardoor de resultaten minder werden. „Dat wordt dan op het bordje van de trainer neergelegd, en dus gaat de speler naar een ander. Continuïteit is ver te zoeken.”

Thiemo de Bakker won het future-toernooi in Alkmaar na een periode met blessures en motivatieproblemen. „Ik zal nu ook dagen hebben dat ik liever in mijn bed blijf liggen. Maar ik sta nu wel meestal op.”
Foto Olaf Kraak

De clubcultuur sterft uit

Commerciële partijen krijgen voet aan de grond. Sinds 2000 zijn de private tennisscholen in opkomst: ruim driehonderd zijn er nu, waar er in het verleden zo’n vijf bepalende waren. In de schaduw van dit proces verdwijnt de traditionele clubtrainer, tennisscholen nemen die rol over en detacheren trainers bij clubs.

Zo verdwijnt langzaam de verenigingscultuur uit de sport. De clubtrainer was vaak de binder, het vertrouwde gezicht, degene die er altijd was. „Die zorgde voor toernooitjes en keek naar de lange termijn”, zegt Bogtstra.

„Nu heb je veel trainers die enkel uurtjes draaien. Een commerciële partij organiseert geen toernooien, tenzij ze ervoor betaald worden. De jeugd ziet: er wordt niet veel georganiseerd op mijn club, ik vind er eigenlijk niet zoveel aan, ik ga naar een hockeyclub want daar ben je met een elftal en zijn er bierfeestjes.”

Tennis kende een hausse in de jaren zeventig en tachtig en profileerde zich als sport voor het hele gezin. De groep babyboomers die toen instroomde, begint nu af te haken. Het ledenaantal van de bond daalde in zes jaar met 107.000 naar 583.000 vorig jaar. Het wordt stiller op de club. Bogtstra merkt het bij de jeugdtoernooien, met name bij de meisjes. „Waar de speelschema’s vroeger overvol zaten, zijn tegenwoordig overal open plekken.”

Baas over het talent

Twintig jaar geleden was het simpel: je ging naar de lokale club en als je talent had, mocht je naar de trainingen van het bondsdistrict – en als je echt goed was, ging je door naar de nationale selectie. Toen kwamen de tennisscholen op en veranderde het opleidingsland compleet. Gaandeweg namen zij in de regio de rol van de bond over.

Het gevolg was dat „de bond concurreerde met de commerciële tennisscholen”, zegt Thung. Zij liepen elkaar in de regio meer in de weg dan dat ze elkaar aanvulden. Een verandering is per september vorig jaar ingezet. De bond heeft de vijf regio’s, met zo’n tien lokale trainers en scouts, opgedoekt. Daarvoor in de plaats: een samenwerkingsverband met zeven tennisscholen voor de bovenbouw (12-18 jaar) en negentien voor de onderbouw (6-12 jaar).

Als een kind kiest voor een tennisschool waar de bond mee samenwerkt, worden de ouders financieel ondersteund in de kosten. Dat varieert, per 2018, van 1.000 tot 3.000 euro op jaarbasis. Dat is niet kostendekkend. Ter indicatie: een talent dat een jaar traint bij een tennisschool kost grofweg 10.000 euro.

De bond houdt de regie over die talenten, twee ‘prestatiemanagers’ bepalen in overleg het toernooi- en trainingsprogramma. Twee keer per week komen de spelers naar Almere voor centrale bondstrainingen.

Maar: veel van de toptalenten zitten niet bij de zeven bovenbouwscholen, wat wel de opzet is van het plan. Andere zorg: de regionale spreiding van de tennisscholen is op dit moment onvoldoende: een talent in Groningen kan bijvoorbeeld nergens in de buurt terecht. Maar: er kunnen nog tennisscholen bij komen, het is een ‘dynamisch’ proces.

Veel kritiek klinkt op de nieuwe structuur. Gevestigde opleiders als Bogtstra, Huib Troost en Martin van der Brugghen doen niet mee. Voornaamste punt: de regie over het talent en het afvaardigen voor bondstrainingen. „Ik heb die goede opleiding zelf”, zegt Bogtstra. „Drie keer hier trainen, twee keer daar, ik vind het een compromismodel. Daar sta ik niet achter.” Net als Sluiter. Hij liep er in zijn tijd als trainer bij de bond tegenaan: twee kapiteins op een schip – de bondstrainer en de privétrainer – werkt niet. „Daar wordt het kind vaak de dupe van.”

Interessant in deze discussie is Bertens. Zij viel op haar twaalfde uit de bondsselectie: niet goed genoeg, was de motivatie. Daarna haalde ze de top onder coach Van der Brugghen – en later met Sluiter. Bijna volledig buiten de bond om. De les rond Bertens lijkt: één coach, één verantwoordelijke, één verhaal, geen ruis.

In de jungle

Geen ballenjongens, geen lijnrechters, zelf de baan vegen, een scorebord dat handmatig moet worden bijgehouden. We zijn in de tennisjungle: het futuretoernooi van Alkmaar, vorige week op tennispark De Hout. Futures zijn de laagste categorie, hier beleef je het profbestaan op z’n puurst, hier moet nog 40 euro inschrijfgeld worden betaald. Dit is de basis, hier begint het leven als prof.

Je kijkt er de toekomst van het Nederlands tennis in de ogen. „Gefeliciteerd met je eerste puntje”, zegt Sidane Pontjodikromo tegen een andere jeugdspeler die net zijn eerste ATP-punt binnen heeft. Een beugel is zichtbaar bij Pontjodikromo, hij is een vrolijke verschijning. Hij overleeft de kwalificatie, maar verliest in de eerste ronde van het hoofdtoernooi. Potentie heeft hij. „Echt een goed gastje, ik geloof in hem”, zegt coach Bogtstra.

Veel komt samen in Alkmaar, talenten en ex-talenten lopen door elkaar. Igor Sijsling (ranking: 458) en Thiemo de Bakker (ranking: 603) proberen hier hun vastgelopen carrières nieuw leven in te blazen. Ze moeten ritme opdoen, potjes winnen, punten sprokkelen om weer richting de tophonderd te gaan.

„Ik heb er nog steeds geloof in dat ik mijn beste ranking kan verbeteren”, zegt De Bakker (28). Er is veel verbeeldingskracht voor nodig om dat serieus te nemen. Veertigste stond hij, zeven jaar terug. Zijn verhaal is bekend: de grote belofte die niet honderd procent leefde voor zijn sport. Een jaar terug vertelde hij in de Volkskrant over zijn gok- en drankproblemen. Daarna bleef het stil, hij worstelde met een chronische elleboogblessure en later met zijn schouder.

Hij speelde maandenlang niet. Het waren ook motivatieproblemen, die hem tegenhielden. Tennis was een last geworden, het plezier verdwenen, vertelt hij. Hij speelde alleen om zijn naasten trots te maken. „Ik deed het niet meer voor mezelf.” Hij wilde niet meer tennissen, vertelt hij. „Ik heb tijd voor mezelf genomen.”

Hij geniet weer, hij wil spelers ouderwets ontregelen – zijn kracht. „Ik zal nu ook dagen hebben dat ik liever in mijn bed blijf liggen. Maar ik sta nu wel meestal op. Ik wil zelf trainen, zelf even gaan werken. Nu hoeft er niet steeds iemand aan mij te trekken.” Hij wint het toernooi in Alkmaar. Maar twee dagen later verliest hij direct bij een future in Breda – zijn schouder speelde weer op.

De toekomst is aan iemand als Jesper de Jong, die behoort tot de sterkste jeugd in Nederland. 17 jaar, heeft zijn havo net afgerond, oogt serieus, praat alsof hij al jarenlang journalisten te woord staat. Volgend jaar verhuist hij waarschijnlijk naar de Verenigde Staten om daar collegetennis te spelen en door te groeien naar prof. „Lijkt me een superervaring.”

Het lijkt een wijs besluit. Weg uit de polder, daar waar middelmaat regeert.