Column

De Haagse flipperkast waarin Zalm een coalitie moet zien te formeren

Deze week: interne kwaadsprekerij over Roemer, voorzitters-buzz in de PvdA, oplopende spanningen tussen de premier en de vice-premier. Ofwel: de Haagse flipperkast waarin Gerrit Zalm een coalitie moet formeren.

De benoeming van Gerrit Zalm (VVD) tot informateur, deze week, was vooral een herstel van de politieke orde. Voormalig topambtenaar Herman Tjeenk Willink (PvdA), jurist van procedures en geduld, had zijn tussenopdracht volbracht. Nu kwam de oud-minister van Financiën, econoom van behoedzaamheid en zuinigheid.

De laatste jaren stond hij vooral in de krant als flipperende bankier. Maar zijn politiek-bestuurlijke vorming begon in de late jaren zeventig en vooral tachtig, toen hij hoge ambtelijke functies op Financiën en Economische Zaken vervulde.

Jaren van restauratie na linkse dominantie waren het – Zalm kende beide werelden. Als topambtenaar op Economische Zaken rolde hij kalmpjes zware shaggies, en miste hij elk talent voor radiostilte: je mocht hem altijd bellen voor een recensie van zijn minister.

„Het knettert niet”, vertelde hij me ooit over de bleke vicepremier Rudolf de Korte (1986-1989). Dat kon dan gewoon in de krant.

Tegelijk verloor hij zijn geloof in Keynesiaanse begrotingspolitiek van de PvdA, waarna hij zijn lidmaatschap opzegde. Hij werd overtuigd aanhanger van lagere collectieve uitgaven, strak begroten, een kleinere overheid.

Het interessante is: precies de inkrimping van het Rijk, en de verzwakking van de publieke dienstverlening die daaruit voortkwam, werd vervolgens het grote thema van Tjeenk Willink, zijn voorganger als informateur.

Dit conflict, tussen deze twee mannen, ligt ook weer op tafel in de volgende formatieronde: moet de overheid kleiner of beter? Verdient een nieuw belastingstelsel voorrang, of de boze burger?

Afgelopen donderdag, rond kwart over twee, kwamen de spindoctors van VVD, CDA, D66 en CU samen op de werkkamer van Kees Berghuis. Hij is de VVD-spindoctor en was in een vorig leven de politiek assistent van Zalm op Financiën.

De heren – het zijn alleen heren – namen kort de afspraken voor de komende weken door: radiostilte vergt discipline (en een groeps-app).

De laatste weken was het verwachtingenmanagement goed: de vier partijen straalden optimisme uit. Optimisme heeft een repressieve kwaliteit: wie het nu nog waagt af te haken, gaat als spelbreker de boeken in.

Evengoed valt op dat over de heikele thema’s van deze formatiepoging – medisch-ethische kwesties en klimaat – alleen procedurele oplossingen circuleren: niemand moet verbaasd zijn als het in Rutte III altijd hangen en wurgen zal blijven.

Ruben L. Oppenheimer

Intussen heeft het openbare optimisme ook een ander effect: de meeste oppositiepartijen kennen hun (nieuwe) rol.

Op rechts is er ongerustheid in de PVV over de groeipotentie van Thierry Baudet, al rekent Wilders erop dat hij bij de meest zichtbare lokale verkiezingen volgend jaar een enorme klap kan uitdelen aan Leefbaar Rotterdam, dat met Baudet samenwerkt.

Op links valt vooral op hoezeer verhoudingen binnen de SP verzuren: de Gideonsbende van weleer vertoont tekenen van afgunst en wrok. Vorige week lekte al interne informatie over het maandinkomen van voorzitter Ron Meyer naar het AD.

Ook ik ontving telefonische tips over de leiding, alsmede een anonieme mail waarin gedetailleerd werd uiteengezet dat partijleider Emile Roemer in de jaren 2014 en 2015 niet aan de afdrachtregeling van de partij had voldaan.

Die regeling, een SP-kroonjuweel, voorziet erin dat alle actieve SP-politici globaal van een modaal inkomen leven – de rest staan ze af aan de partij.

Ik legde de meeste details van de SP-tipgevers aan Roemer voor. Hij voerde overtuigend aan dat het vals alarm was: in één geval was zijn afdracht in een ander jaar verrekend, in een ander geval wachtte hij op de Belastingdienst. Hij voldoet, concludeerde ik, aan alle SP-afspraken.

Ik liet het onderwerp rusten. Maar daarna bleek me dat de verspreiding van deze anonieme informatie gewoon doorgaat, in de partij en daarbuiten: een ongekende naijver voor de SP.

Dus ik vroeg Roemer: gaat dit wel goed? Volgens hem staat het los van zijn leiderschap. „Ik ben volgens alle peilingen de betrouwbaarste politicus.”

Ook de kleine nederlaag op 15 maart is niet de reden, zei hij, maar de uitkomst van de eerdere voorzittersverkiezing tussen Sharon Gesthuizen en Meyer. „Mensen wilden een andere kant op met de partij.”

Het gevolg is, taxeerde Roemer, „dat mensen informatie verspreiden over financiën die niet klopt. Ik baal ervan. Maar ik strijd door.”

In de PvdA ving ik intussen op dat Erik van Bruggen, van campagnebureau BKB, genoemd wordt als mogelijk opvolger van partijvoorzitter Hans Spekman, die in oktober vertrekt. De deadline is in september, en ik begrijp dat Van Bruggen om gezondheidsredenen van een kandidatuur kan afzien. Eerder meldde zich oud-Kamerlid Astrid Oossenbrug: er zijn meer voormalige parlementariërs in beeld.

Feit is dat Van Bruggen al eens zinspeelde op een Nieuwe Doorbraak, die ook Asscher soms voor ogen lijkt te staan: een opgaan, op termijn, van de PvdA in een groter geheel. Het pamflet Niet Nix, waarmee Van Bruggen in 1999 PvdA-gezicht werd, bevatte trouwens al talrijke ideeën die vorige week door de commissie-Depla werden gebracht. Zoals: „De PvdA wordt een beweging.”

Intussen weet Asscher zich als oppositieleider vaardig op de Haagse kaart te zetten: hij oogt als Kamerlid een stuk effectiever dan eerder als lijsttrekker.

De kans is zelfs reëel dat de controverse die hij deze week over de basisschoolsalarissen begon, in augustus eindigt met het vertrek van de PvdA-ministers uit het demissionaire kabinet. In de VVD zien ze amper mogelijkheden vóór half augustus aan Asschers eisen tegemoet te komen: het definitieve einde van Rutte II is kortom gevaarlijk nabij.

Dit is de politieke flipperkast waarin Gerrit Zalm moet proberen een nieuwe coalitie te formeren. Een ervaren topambtenaar zei me deze week: Gerrit kan het beste beginnen met praten over de invulling van ministersposten. „Deze formatie heeft zuurstof nodig.”

Daarbij viel me op dat ze in de VVD niet zijn vergeten dat Asscher tijdens de vorming van Rutte II Femke Halsema, de oud-GroenLinks-leider, benaderde voor een ministerspost. Nu Asschers relatie met Rutte zo is getroebleerd, riep een VVD’er :dan kunnen wij deze keer proberen een PvdA’er het kabinet in te lokken.

Los van al deze gedoetjes, en los van de grote inhoudelijke controverses die de nieuwe coalitie compliceren, mag je hopen dat deze politieke generatie, inclusief Zalm, in deze formatie ook in staat is de zwakte van het eigen succes onder ogen te komen.

De begroting is – opnieuw – op orde, en het Rijk afgeslankt. Nu is de vraag: gaan we op die voet verder, of slaagt de overheid er voor één keer in ook naar zichzelf te kijken?

Want dat is de zwakte van deze generatie, die Tjeenk Willink deze week even achteloos als alarmerend benoemde in een bijlage van drie kantjes bij zijn eindverslag: de verslechtering van de overheidsdienstverlening, die van burgers altijd vergoedingen eist (‘dit 0800-nummer kost 2,8 cent per minuut’) maar nooit concrete hulp garandeert.

Het gaat om de grootschaligheid en anonimiteit bij de politie, de Belastingdienst, de krijgsmacht, de Sociale Verzekeringsbank (pgb’s), etc.

Het gaat om het teveel aan managers rond ministers, de verdwijning van inhoudelijke deskundigheid uit de overheid.

Het gaat om de Kamer, die uitvoeringsorganisaties altijd graag bekritiseert, maar alleen als het te laat is.

Burgers kunnen om honderd redenen boos zijn – van de islam tot en met een asociale buurman. Op veel van die oorzaken heeft de overheid vaak hooguit marginale invloed.

Maar op dit gebied heeft de politiek alles in eigen hand. Dus als Zalm om te beginnen eens zou zeggen: je hebt altijd een punt gehad, Herman. Het zou geen slechte aftrap zijn.