Brieven van een slaaf aan zijn vader opgedoken

Slavernij

Het stadsarchief in Amsterdam heeft brieven in handen gekregen van een man die in slavernij leefde. Een unieke vondst.

„Zonder U te berispen moet ik UED [U edele, red.] melden dat het mij soms zeer onaangename gedachten veroorzaakt wanneer ik denk dat ik een Vader heb in een ver verwijderd land en dar er dagelijks schepen van Holland naar Suriname gaan zonder het minste van u te vernemen.”

Dat schrijft Gideon Charles op 30 juni 1848 in een brief aan zijn vader. Hij leeft op dat moment in slavernij in Suriname. Zijn vader Johannes Charles is vrijgemaakt en verblijft sinds 1817 in Nederland als bediende van de weduwe van zijn voormalig eigenaar.

Beluister hier de brief waarin Gideon aan zijn vader vertelt dat hij van de slavernij is bevrijd

Het document is evenals vier andere brieven sinds kort in handen van het Stadsarchief Amsterdam. Een unieke vondst, zegt onderzoeker Mark Ponte van het archief. Documenten waarin mensen die in slavernij leven zelf aan het woord komen, zijn volgens hem uiterst zeldzaam. „Hun stem is erg ondervertegenwoordigd. Zo’n persoonlijk inkijkje geeft meer inkleuring aan het leven destijds.”

Drie van de brieven komen van Gideon Charles, twee zijn van zijn tante. Ze werden tussen 1848 en 1863 geschreven door een notulist – Gideon kon zelf niet schrijven. De laatste brief dateert van 20 januari 1863, een half jaar voor de afschaffing van de slavernij, die zaterdag wordt herdacht met de feestdag Keti Koti. In zijn laatste brief vertelt Gideon van slavernij te zijn bevrijd: „Deze (brief) diende U te laten weten dat ik en mijne geheele betrekking door mijnheer Box is gemancipeerd.”

De brieven zijn met familiefoto’s onlangs overgedragen aan het stadsarchief door emeritus hoogleraar embryologie Robert Charles, de betachterkleinzoon van Johannes Charles. Ze laten zien hoe familieleden met elkaar communiceerden en geven een beeld van het leven van Gideon en dat van zijn vader, een zwarte man in het negentiende-eeuwse Amsterdam.