Cultuur

Interview

Interview

Foto's Frank Ruiter

Akwasi: ‘Ik eet en leef als een kampioen’

Lunchinterview Acteur, rapper Akwasi Ansah is deze zomer columnist voor NRC. “Ik zeg vaker nee dan ja tegen rollen. Ik word nogal vaak getypecast.”

Hij is 29, acteur, rapper en presentator en schrijft deze zomer columns voor NRC. Akwasi Owusu Ansah is zijn naam. Kortweg: Akwasi. Naar Ghanees gebruik is hij vernoemd naar de dag waarop hij is geboren, een zondag. Een zondagskind, de middelste van vijf kinderen, geboren in de Amsterdamse Bijlmer, deels opgegroeid in Amsterdam-Osdorp. Nu woont hij met zijn vriendin (ze is ook zijn manager) in de Amsterdamse nieuwbouwwijk IJburg. Hij houdt van de rust én de parkeergelegenheid daar. Bovendien is hij er „incognito”, in de Bijlmer „was het elke dag feest”. Maar thuis is hij meer niet dan wel.

Misschien dat hij vannacht vier uur heeft geslapen, hooguit. Hij vloog terug uit Londen, waar hij een cursus camera-acteren volgt. Hij was in Hackney, de wijk in Oost-Londen waar zijn ouders in de jaren tachtig naartoe gingen vanuit Ghana. Zijn oudste zus is er nog geboren. Zijn moeder kreeg er geen verblijfsvergunning, ze verhuisden naar Nederland.

Voor de duur van de acteercursus moet Akwasi zo’n zestien keer op en neer. Steeds logeert hij bij een andere oom of tante. „Mijn vaders vader had vijf vrouwen, 41 kinderen en 121 kleinkinderen. Ik ben een van die 121. Ik kan óveral logeren.” Het Twi beheerst hij goed genoeg om zich bij elk familielid verstaanbaar te maken.

Het is fokking warm. Doe maar perensap

Voor het gemak hebben we afgesproken op een terras naast zijn kantoor in het voormalige Volkskrant-gebouw. De zon brandt door de kieren van het zonnescherm. Hij bestelt muntthee. Of nee, zegt hij en grinnikt. „Het is fokking warm. Doe maar perensap.” En een English breakfast. Eieren, spek, worstjes, bonen in tomatensaus. „Kan best een keertje”, verdedigt hij. „Allemaal proteïnen.” Straks gaat hij weer naar ‘de gym’. Hij is, zegt hij, aan het investeren in zichzelf. „Qua lijf en mentaal wil ik in de best shape ever zijn.” Hij is onderweg naar de top van zijn kunnen. Geen alcohol en drugs meer. „Ik wil eten en leven als een kampioen.”

Als Akwasi de zes letters van zijn naam spelt, gebruikt hij graag het radio-alfabet. De A van Anton, de K van Karel, W van Willem, Anton, Simon, Isaak. Oer-Hollandse namen die samen het acroniem van zijn naam opleveren. En elke naam afzonderlijk staat weer voor één van zijn talenten.

Anton is de artiest in Akwasi. Hij begon als veertienjarige al met rappen en sinds z’n achttiende vormt hij, met producer Hayzee en rapper Leeroy, de rapformatie Zwart Licht. De naam staat voor „al het zwarte dat in een goed daglicht wordt geplaatst”. Ze maakten drie succesvolle Nederlandstalige albums, een vierde is onderweg.

Bloednerveus

De ‘Karel’ in Akwasi runt een eigen muzieklabel, Neerlands Dope. Akwasi scout talentvolle zangers en muzikanten die „floreren” in het Nederlands. Zijn streven is één artiest per provincie te vinden. Het muziekgenre maakt hem niet zoveel uit. „Het is de taal die ons bindt.” Zijn „spirituele meester” is Bram Vermeulen, zanger en cabaretier die, samen met Freek de Jonge, bekend werd met Neerlands hoop in bange dagen ruim voor Akwasi geboren werd. „Ik wilde iets schrijven over de dood van een vriendschap. Op de basisschool had ik een beste vriend, Dennie, we waren Sjors en Sjimmie, Duo Penotti. Maar hij ging naar de middelbare school in Oud-Zuid, ik bleef in de Bijlmer. De vriendschap heeft dat niet overleefd.” Een collega raadde hem aan te luisteren naar De wedstrijd van Bram Vermeulen. „Ik zocht hem op YouTube. Wow. Hij klonk zoals ik als ik zing. Beetje hees. En de tekst die hij zong verwoordde precies wat ik dacht en voelde. Bizar. Hij was oud. En wit.”

Lees ook: Akwasi’s column over zijn bezoek aan een sterrenrestaurant

Akwasi maakte een dubbel-cd met op Bram Vermeulen geïnspireerde teksten. „Ineens stond ik op een podium met compleet andere gasten in het publiek. Geen petjes, geen jonkies, maar mensen van middelbare leeftijd. Ik kon het niet geloven. Luister jij naar mij?”

Officieel is Akwasi in 2012 als ‘theatraal performer’ van de toneelacademie in Maastricht gekomen. Maar bijna als vanzelf werd hij meer workshopmaster (let op, daar is de W) dan acteur. Hij geeft les in de technieken die hij zichzelf aanleerde om zijn podiumvrees te bedwingen. „Ik was voor elk optreden zo bloednerveus. Black-outs, ik kon niet meer uit mijn woorden komen, ik kon niks meer.” Met ademhalingstechnieken, warming-ups en „aandacht richten” kreeg hij zijn zenuwen onder controle. En nu leert hij dat anderen op middelbare scholen, in afkickklinieken en vanaf september op televisie met het programma ReChill. Zittend op een schoolbankje in een klaslokaal leert hij kinderen een mengelmoes van yoga, meditatie en mindfulness, zelf noemt hij het playfulness.

Foto Frank Ruiter

Weer Anton, maar nu staat die voor acteur. Dat staat op het enige diploma dat Akwasi ooit behaalde. Hij bleef zitten op de havo, zakte voor zijn vmbo-examen, deed halfslachtig nog twee mbo-opleidingen, maar maakte nooit iets af. Via een ex-vriendinnetje belandde hij op de vooropleiding van de toneelschool, en dankzij zijn talent werd hij er toegelaten.

Hij speelde bijrollen in tv-programma’s als Feuten en Toren C. „Maar eerlijk gezegd zeg ik vaker nee dan ja tegen rollen.” Hij verlegt zijn lange, tot dikke staart gebonden dreads. „De rollen passen vaak niet bij me,” zegt hij neutraal. En dan: „Ik word nogal vaak getypecast.” Iets feller. „Ik werd gevraagd de stem te doen van Raf, de giraffe in de film Dikkertje Dap. Prima, helemaal leuk. Ik naar de auditie. Tekst uit mijn hoofd geleerd, gerepeteerd, alles. Wil ik net beginnen, zegt de regisseur dat het leuk zou zijn als ik Raf een Afrikaans-Engels accent gaf.” Hij kijkt perplex. „Ja, zegt ze, want die giraffe, die komt óók uit Afrika.” Dus, zegt hij, „die vier uur logopedieles per week, die woordenschat die ik me heb eigengemaakt, mijn Nederlands dat beter is dan van de gemiddelde Nederlander… Dat was voor niks? Heb ik daarvoor gebikkeld? No way dat ik dat laat gebeuren.” Hij heeft de auditie uitgezeten, zegt hij. „Maar mijn geest was de deur al uit.”

De meeste slaag

Komen we bij de S van Simon. De schrijver. Akwasi doet het al zo lang als hij zich kan herinneren. Gedichten, rapteksten en nu dus negen weken lang een column voor NRC. Hij durft best te zeggen dat schrijven hem heeft behoed voor een andere carrière. Een die begon met blowen, drank jatten bij Gall & Gall, beetje handelen in hasj op de middelbare school. „Ik was er behoorlijk goed in, handig.” Het leverde hem thuis klappen op. „Mijn vader en zijn riem…” Hij snijdt een kerstomaatje open, de inhoud spat op zijn brandschone shirt. „Soms haalde hij de buren erbij, mijn vrienden, hun ouders. Dan kon iedereen het zien.” Dat heet ook wel kindermishandeling, zeg ik. Hij lijkt het niet te horen.

Zijn moeder is een jaar of acht geleden gescheiden van zijn vader. „Ze heeft zijn spullen buitengezet en het slot vervangen. We hebben nauwelijks nog contact met hem.” Af en toe belt Akwasi hem op. „Dan heeft hij het meestal druk. Hij werkt bij de bagage-afhandeling op Schiphol. ‘Ik bel je terug’, zegt hij dan. Dat kan weken duren. Een paar maanden soms.”

En zijn moeder? Zijn jongste broertje van 17 woont nog bij haar. Zij heeft, zegt hij, in God een tweede man gevonden. „Drie keer per week gaat ze met een busje naar de Ghanees-christelijke kerk in Utrecht. Tassen vol eten mee.” Soms helpt hij haar met de boodschappen en koken.

„Ik was het meest uitgesproken kind. Stubborn”. Koppig.

Van de vijf kinderen kreeg hij de meeste slaag. „Ik was het meest uitgesproken kind. Stubborn”. Koppig. „Toch had mijn vader een punt. Hij zei altijd dat je wordt met wie je je associeert. Ik ging met verkeerde jongens om, dus ik was verkeerd.” Hij dept geconcentreerd de vlekjes van zijn kleren. „Grappig, ik heb er lang niet meer aan gedacht.” Hij stopt met poetsen. „Ik zou het niet doen. Mijn kinderen slaan.”

Een beetje rapper heeft in de gevangenis gezeten, Akwasi nét niet. Zijn beste vrienden van destijds zitten nu vast. Die dans is hij ontsprongen. „Ik dacht: als ik dit goed kan, misschien kan ik dan ook in iets ánders goed worden.” En vanaf dat moment is hij de Isaak in zichzelf gaan ontwikkelen, de intellectueel. Best een stap voor het probleemjoch van de Sint Paulusschool in Osdorp. Hij lacht nu hardop. „Er zat wat ruimte tussen de uitslag van mijn Cito-toets en het advies van de juffrouw.” Hij kon havo/vwo, zij vond hem te dom voor kader. „Juf Detta. Mijn Surinaamse juf. Ze schreeuwde, schold me uit voor ongewassen varkentje en stuurde me de klas uit.” Hij was geen vechtersbaas, zegt hij, hij deed geen rare dingen. Ja, bijdehand, dat was hij wel. „Zij noemde dat brutaal.” Allemaal onmacht, weet hij nu. „Leraren moeten luisteren, niet aanhoren. Kinderen in de ogen kijken, met ze praten. Als ik niet deed wat ik nu allemaal doe, was ik vast leraar geworden.”

Zes alter ego’s, samen vormen ze Akwasi. Een afgerond geheel is hij nog niet. Het is werk in uitvoering. Voortdurend wordt hij voor van alles gevraagd, zegt hij. Voor televisieprogramma’s, filmrollen, commercials. Hij blijft nog even nee zeggen. „Eerst wil ik kijken wat ik zelf kan. Ik wil mijn autonomie waarborgen.”