Column

Verloren sleutels

Op de stoep voor onze woning ontstond enige consternatie. Mijn vrouw was de huissleutels kwijt. „Net had ik ze nog”, zei ze verbluft. Dat klopte – ik had van dichtbij gezien dat ze er boven de voordeur mee afsloot.

„Maar nu heb ik ze niet meer”, stelde ze vast met de stelligheid van iemand die tot de ontdekking is gekomen dat ze beroofd moet zijn. „Begrijp jij dat nou?”

Ik begreep het ook niet, maar dat zegt weinig, want er is zoveel dat ik niet begrijp. Zo kan ik niet begrijpen, om even bij de actualiteit te blijven, dat Zuid-Afrika-deskundigen die ons tientallen jaren hebben ingeprent dat Mandela een heilige was en zijn ex-vrouw Winnie een nitwit, nu opeens het omgekeerde beweren. En dat alles op basis van één filmdocumentaire. Mandela zou zelfs zijn land aan het grootkapitaal hebben verkocht. Wie moet ik geloven en krijgen we over tien jaar misschien weer het omgekeerde te horen?

Maar mijn vrouw had wel iets anders aan haar hoofd, terwijl ze met een gepijnigde uitdrukking op haar gezicht haar zakken stond te doorzoeken. Daarna volgden de fietstassen, de stoep en de hal van ons gebouw.

„Ongelofelijk”, zei ze moedeloos.

De zoekende mens wordt een dolende mens.

„Moeten we er niet Hans Klok bij halen?’’ vroeg ik, maar mijn scherts viel niet in goede aarde. Het werd een ernstige dag.

„Zoek liever mee”, zei ze.

Ik deed het, maar met een overheersend gevoel van vergeefsheid, want zij is een betere zoeker dan ik. Als zij iets niet kan vinden, lukt het mij doorgaans evenmin. Het is zelfs gebeurd dat ik mezelf kwijt was en dat zij mij toch nog kon vinden.

Maar om mijn medeleven te tonen, deed ik toch mijn uiterste best en doorzocht ook ik de fietstassen en de hal. En precies wat ik had verwacht: vergeefs.

„Kun je ze niet in huis hebben laten liggen?” vroeg ik.

„Maar dan had ik toch niet het huis kunnen afsluiten?”, zei ze scherp.

Het was logica waar ik tot mijn spijt helemaal niets tegenin kon brengen. Daarom stelde ik maar haastig voor om ook nog de kelder grondig te doorzoeken, waar ik haar fiets vandaan had gehaald.

Toen ik, uiteraard, met lege handen terugkeerde, zuchtte ze bijna wanhopig: „Zó heb je ze nog en zó ben je ze weer kwijt. Dat kan toch niet waar zijn?”

Zou het zó kunnen beginnen, dacht ik intussen, met een sleutel die opeens kwijt is? Weet ze straks misschien haar eigen telefoonnummer niet meer? Of de naam van onze kat? Gelukkig wist ze zich nog wel te herinneren dat de buren een kopie van de sleutel hadden. Jammer alleen dat die niet thuis waren.

„Ik ga toch nog even op de trap kijken”, zei ik om mijn goede wil te tonen.

Halverwege de trap moest ik even door de knieën om de veter van een schoen beter te strikken. Op dat moment voelde ik de lichte hinder van een hard voorwerp in de zak van mijn jack.

De rest hoef ik eigenlijk niet te vertellen, al wil ik voor de volledigheid haar meesmuilende reactie wel even samenvatten: „Ik begon het net te denken.”

Zelf dacht ik iets wat me bekend voorkwam: zou het zó kunnen beginnen?

Toen gaf ik haar de sleutels.