Verdachte R’damse prostitutiemoorden in observatie

Cold case

In april werd hij gearresteerd voor moorden op Rotterdamse tippelprostituees in de jaren 90. Donderdag moest hij voor de rechter komen.

De noordzijde van Willemsbrug, de plek waar prostituee Berendina Stijger op 9 september 1990 werd vermoord. Foto Bas Czerwinski/ANP

Mager, met veel te grote kleren aan, een schichtige blik en onder zijn arm een dik dossier vol omgekruld papier: zo schuifelt verdachte Albert Richenel B. binnen in de Rotterdamse rechtbank. Als hij praat, volgt er geen coherent verhaal. Toch weet de officier van justitie het zeker: dit is de man die Beredina Stijger in 1990 en Francis Garcia-Hofland in 1991 heeft vermoord.

Zelf ontkent hij. Ja, hij was frequent bezoeker van de G.J. de Jonghweg in die tijd en ja, hij nam weleens meisjes van die tippelzone mee naar huis. Maar dat hij DNA heeft achtergelaten, is nog geen bewijs dat hij ze vermoord heeft. Ze konden het bij hem thuis ‘opgelopen’ hebben en van daaruit kan het overal terechtgekomen zijn. B. werd in april gearresteerd na een coldcase-onderzoek dat vijf jaar had geduurd.

„Volstrekt ongeloofwaardig”, noemt officier van justitie E. Ahbata dat. Zij beoordeelt het DNA-bewijs juist als heel sterk. Onder de ontblote bil van Beredina Stijger werd een groene lap stof gevonden, waarop sperma zat dat overeenkomt met Albert B.’s DNA. Stijger, die tot haar dood een zwervend bestaan leed, was niet verslaafd en werkte niet als prostituee.

Vermogensdelicten

In en op het lichaam van Francis Garcia-Hofland én in haar opengesneden slip is maar één mengspoor aangetroffen, dat naast haar eigen DNA sperma bevatte van één man. Ook dat wijst via verwantschapsonderzoek naar Albert B. „Een dergelijk verhaal zou al zeer onwaarschijnlijk zijn geweest als we het hadden gehad over één omgebrachte vrouw”, stelt de officier van justitie. „In dit geval gaat het om twee vrouwen in twee verschillende jaren. Verdachte zou dan twee keer op dezelfde wijze erin zijn geluisd.”

Lees ook de reconstructie uit 2016 over deze zaak: De ripper van Rotterdam

B.’s advocaat, André Beker, betwijfelt of het DNA-bewijs wel zo overtuigend is. Volgens hem kan het NFI niet met zekerheid zeggen dat het spoor op Francis Garcia-Hofland van zijn cliënt is. Bovendien: zijn cliënt heeft in de jaren 80 weliswaar wat vermogensdelicten op zijn naam staan, vanaf 1989 is zijn strafblad schoon. Buiten het DNA is er geen bewijs, er zijn geen getuigen en de politie heeft hem nooit eerder in verband gebracht met de moorden nabij de tippelzones.

Albert B., die al veertien jaar medicijnen slikt tegen schizofrenie, maakt zich voornamelijk zorgen over zijn huis en zijn spullen daar. „Boeken en agenda’s liggen thuis, waarin ik alles genoteerd heb. Als ik me vreemd gedraag, weet ik de reden niet. Daarom houd ik alles bij. Kan mijn huis verzegeld worden?”

B. blijft vastzitten

Als de rechter hem vraagt naar het DNA-bewijs, zegt hij: „Mijn DNA is misschien ook wel in Brussel te vinden.” Maar, wil de rechter weten, hoe komt uw sperma dan bij die meisjes terecht? „Mijn lichaam was aanwezig, maar ik niet”, antwoordt hij.

Uiteindelijk oordeelt de rechtbank dat Albert B. vanwege „een dikke verdenking” vast blijft zitten en bovendien naar het Pieter Baan Centrum moet, zodat deskundigen zijn huidige mentale staat en die van dertig jaar geleden kunnen beoordelen. Een tijdrovend proces, waardoor het zeker nog een half jaar duurt voor de zaak inhoudelijk behandeld wordt.