Nederland laat scheepswrakken over aan paalworm en erosie

Maritieme archeologie

Met Nederlandse scheepswrakken gaat het slecht, zeggen experts. Geld om ze te onderzoeken of te bergen is er niet of nauwelijks.

Bij de ontdekking van De Rooswijk in 2005 werden onder meer zilveren munten en een brillenkoker geborgen Deze zijn nu te zien in het MuZEEum in Vlissingen. Geldgebrek kwelt het onderzoek aan historisch interessante scheepswrakken. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De (gedeeltelijke) opgraving van het VOC-schip De Rooswijk is een doorbraak. Het is de eerste keer dat de Nederlandse overheid zoveel geld (2 miljoen euro) steekt in de opgraving van een VOC-schip, waarvan er ongeveer 250 zijn vergaan en waarvan 30 wrakken zijn teruggevonden.

Toch is er kritiek te horen van maritiem archeologen. Ze vragen zich af: waarom wordt het geld niet in het onderzoek van schepen dichterbij huis gestoken. Zoals in de Westerschelde bij Ritthem, waar het oudst bekende Nederlandse oorlogsschip, gebouwd in de zestiende eeuw, in een geul dreigt te storten. Of bij Texel, waar een zeventiende-eeuws schip ligt dat bekend werd door een japon en andere kledingstukken.

Jerzy Gawronski, hoogleraar maritieme en urbane archeologie aan de Universiteit van Amsterdam, begrijpt dus niet waarom uitgerekend De Rooswijk wordt opgegraven: „Het schip ligt al grotendeels uit elkaar, op een plek waar de duikomstandigheden slecht zijn.” Zo zet De Rooswijk de schijnwerpers op de maritieme archeologie in Nederland. Die is er volgens betrokkenen zo slecht aan toe, dat ze er op 6 juli in Lelystad een bijeenkomst organiseren onder de titel ‘SOS! Onze schepen vergaan twee keer’.

Het ontbreekt hier aan durf en het grote gebaar, Jerzy Gawronski, maritiem archeoloog

Maritieme archeologie heeft al sinds de jaren zeventig een aparte positie in de Nederlandse archeologie. De toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek concentreerde zich op onderzoek op het land en aan de universiteiten werd het vak niet gedoceerd. Intussen sloot de dienst Domeinen van Financiën als beheerder van de staatseigendommen contracten af met commerciële bergers: zij mochten op zoek gaan naar specifieke schepen en hun lading bergen op voorwaarde dat ze een kwart van de spullen aan de staat gaven.

Hollandia en ’t Vliegend Hert

Rex Cowan, voormalig advocaat, was een van die bergers. In 1971 ontdekte hij de Hollandia bij de Scilly Eilanden, in 1982 en 1983 groef hij ’t Vliegend Hert op bij de rede van Vlissingen en in 2005 maakte hij bekend De Rooswijk gevonden te hebben. Terwijl het ministerie van OCW (daarvoor WVC) vanaf de jaren tachtig een verklaard tegenstander was van mensen als Cowan, werkten Gawronski en Bas Kist van het Rijksmuseum wel met hem samen. Dat bood relatief goedkoop de mogelijkheid om de opgravingen toch volgens archeologische standaarden te laten uitvoeren, en kennis te verwerven voor de in Nederland nog jonge wetenschap en objecten voor het Rijksmuseum. Ruzie over een in stilte gemaakte nieuwe afspraak van Cowan met Domeinen over de verdeling van de vondsten maakte een einde aan de samenwerking.

Fragment van De Rooswijk, gefotografeerd tijdens een verkenningstocht in 2015. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Gawronski en Kist begonnen hierna met onderzoek van het vrijwel intacte VOC-schip Amsterdam bij Hastings aan de Engelse zuidoostkust. Gawronski is er later op gepromoveerd: „De Amsterdam is alles ineen: een varende machine van hout, een onderdeel van een economisch systeem, een militair machtsmiddel, een woon- en werkgemeenschap met mensen afkomstig uit heel Europa, een drijvend kantoor, bedacht en gemaakt op een werf met honderden aanvoerlijnen van producenten en leveranciers. Het is een afspiegeling van de maatschappij, een drijvend idee vol traditie en innovatie.”

Het project, ook bedoeld om studenten en amateurarcheologen in de maritieme archeologie op te leiden, liep goed tot de subsidie werd gestopt, omdat het schip in Engeland lag en de Engelsen er maar voor moesten zorgen. In Lelystad kwam wel het Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwaterarcheologie (NISA). „Maar dat was vooral goed in het beschermen en toedekken van schepen”, zegt Gawronski.

Waarom niet gekozen voor de Amsterdam, die uit dezelfde tijd stamt als De Rooswijk en ook bedreigd wordt (erosie en paalworm), maar waarvoor al een wetenschappelijke basis is en die vrijwel intact is en op een plek ligt met minder gevaarlijke stromingen en daarom geschikter om amateurs en studenten ervaring op te laten doen? „De Rooswijk heeft ook in Engeland de status van Heritage at risk en de Amsterdam niet. Bovendien loopt er nu een megaproject om de Amsterdam te bergen en in Amsterdam te onderzoeken en tentoon te stellen”, zegt Martijn Manders van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en leider van de opgraving van De Rooswijk. „Klopt”, zegt Gawronski, die bij het project is betrokken, „maar toen we OCW en de RCE vroegen om partner te worden, zeiden ze nee, omdat ze het te risicovol vinden. Terwijl Frankrijk zestig miljoen euro investeert in onderzoek van wrakken in de diepzee, ontbreekt het hier aan durf en het grote gebaar.”

In 2012 kreeg de mariene archeologie nog een impuls, toen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) een vierjarig programma werd gestart om „een extra stimulans te geven aan onderzoek, beheer en het uitdragen van kennis over het maritieme erfgoed”. Verder werkten Grawonski, André van Holk, hoogleraar in Groningen, en Martijn Manders van de RCE, tevens docent aan de Universiteit Leiden, regelmatig samen bij het geven van onderwijs in scheeps- en onderwaterarcheologie. Maar vijf jaar later is het NISA opgegaan in Batavialand, een samenwerkingsverband van de RCE, de Bataviawerf en museum Nieuw Land. „En mijn leerstoel in Groningen houdt op te bestaan”’ zegt Van Holk.

Opportunisme

De twee miljoen euro voor De Rooswijk lijkt niet de voorbode van structureel maritiem onderzoek. Het geld is eenmalig en afkomstig uit een speciale pot voor bedreigde wrakken in buitenlandse wateren. Dat betekent dat in dit geval schepen in Nederlandse wateren sowieso niet in aanmerking kwamen om opgegraven te worden.

Manders geeft toe dat enig opportunisme een rol heeft gespeeld bij de keuze voor De Rooswijk, maar volgens hem kan de opgraving er voor zorgen dat het nog goed komt met de maritieme archeologie in Nederland. „In politiek Den Haag wordt er eindelijk op het hoogste niveau over gesproken. En de gesprekken over de Amsterdam gaan ook nog door.”