Graven op de zeebodem naar kanonnen en kandelaars

Duik-expeditie

Een Nederlands-Brits team van archeologen en duikers gaat het wrak van het schip De Rooswijk blootleggen. Met hulp van 3D-computer-beelden en een lange luchtslang.

Ter voorbereiding van de expeditie naar De Rooswijk deed maritiem archeoloog Martijn Manders in 2015 een verkennend onderzoek bij het scheepswrak in de Britse wateren. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Vorig jaar zag Martijn Manders het wrak van De Rooswijk voor het eerst met eigen ogen. De maritiem archeoloog dook onder water bij de Goodwin Sands, een zandbank voor de Britse kust. Op de zeebodem zag hij een boord van het VOC-schip dat hier in januari 1740 was vergaan. Dichterbij gekomen ontdekte hij ook een geschutspoort. Verderop lagen een dikke plaat koper en een kist die half boven het zand uitstak.

Gedachten over wat er in de kist zat en hoe het schip elkaar stak onderdrukte Manders. Op dat moment ging het niet om wetenschappelijke vragen, maar om de toestand van het schip. Hij zag dat het wrak te veel bloot lag en al sporen van erosie vertoonde. De conclusie: voordat het schip nog verder wordt aangetast moet het deels worden opgegraven.

Daarom vaart Manders, die werkt bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), op 1 juli vanuit Ramsgate uit voor een drie maanden durend onderzoek – samen met elf andere archeologen en duikers en met acht bemanningsleden. Met de Terschelling, een veertig meter lang schip, koersen ze naar de wraklocatie, ongeveer een half uur varen uit de Engelse oostkust. Met behulp van vier ankers, vier 500 meter lange ankerkabels en lieren wordt het schip in positie gebracht en gehouden. De Rooswijk ligt op 24 meter diepte.

De duikers bij De Rooswijk kunnen onder water maar anderhalf tot vier meter kijken

Het is de bedoeling om De Rooswijk over de hele lengte van veertig meter bloot te leggen. Dit gebeurt met een zuiger, waarmee gecontroleerd zand kan worden weggezogen. Via een verplaatsbaar stalen grid van vier bij acht meter, dat voorzien is van een positioneringsysteem, worden de vondsten ingemeten.

Kleine, losse vondsten gaan mee in een zak die de duikers bij zich dragen, grote objecten gaan in een bak, die een of twee keer per dag naar boven wordt gehaald. Het schip en de vondsten worden uitgebreid gefotografeerd, om er met behulp van een computerprogramma 3D-afbeeldingen van te kunnen maken. Maar voor het noteren van eerste indrukken onder water heeft Manders ook een ouderwets leitje met een griffel bij zich.

Munten, wijnglazen, mosterdpot

Bij de ramp met De Rooswijk kwamen alle bemanningsleden en opvarenden, ongeveer 300 man, om het leven. In 2005 werd het wrak gelokaliseerd door Rex Cowan, een commerciële ‘scheepswrakkenonderzoeker’ die munten, zilverstaven en nog zo’n duizend andere objecten naar boven haalde. Dat deed hij ook met de Terschelling, het schip dat de Nederlanders ook gebruiken.

Bij de ontdekking van De Rooswijk in 2005 werden onder meer veel munten naar boven gehaald. Die zijn nu te zien in het MuZEEum in Vlissingen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Het team van Cowan vond twaalf jaar geleden in de bovenlaag van de opgraving het achterschip, met onder meer de eetkamer van de officieren. Daarin lagen , tinnen borden, wijnglazen, een mosterdpot, messing kandelaars en een doos met brillen. Hier werden ook zilverbaren gevonden, afkomstig uit Mexico, voorzien van het stempel van de Amsterdamse VOC-Kamer en bestemd voor Batavia om er munten van te slaan. Een laag eronder stuitten de archeologen op de cabine van de konstabel, die voor het geschut en de munitie zorgde, en vonden daar onder meer vijftig musketten. Nog een verdieping lager troffen ze de munitiekamer aan met ronde kogels en staafkogels.

Mogelijk bewapend retourschip

Deze vondsten gaven een beeld van het leven aan boord. Dat beeld hoopt de huidige expeditie verder in te vullen met nieuwe vondsten. Onderzoek aan technische details kan meer vertellen over hoe De Rooswijk is vergaan – en hoe het schip op de VOC-werf in Amsterdam is gemaakt. Uiteindelijk moet het archeologisch onderzoek meer kennis opleveren over De Rooswijk, de VOC en de scheepvaart in de achttiende eeuw.

Zo staat in de VOC-archieven dat De Rooswijk oorspronkelijk is gebouwd als een hekboot. Dit type werd vooral rond 1800 gebruikt om veel vracht te vervoeren en had daarom een verhoogde spiegel (hek). Hekboten zijn ook wel als retourschip gebruikt voor reizen naar Batavia. Een belangrijke vraag is of De Rooswijk is omgebouwd tot een volwaardig retourschip, dus uitgerust met de bewapening van een oorlogsschip om de rijke lading op de terugweg te beschermen.

Bij de ontdekking van De Rooswijk in 2005 werden onder meer veel munten naar boven gehaald. Die zijn nu te zien in het MuZEEum in Vlissingen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Per duikbeurt dalen twee archeologen in een kooi af naar het wrak. Daarbij maken ze geen gebruik van duikflessen, maar van surface supply: via een lange slang en een speciale duikbril wordt de duiker vanaf de Terschelling van lucht voorzien. Op het schip wordt de tijd onder water in de gaten gehouden. Dat maakt het voor de twee archeologen mogelijk om ongeveer een uur alleen met opgraven bezig te zijn. Met duikflessen kan je vaak maar een half uur onder water blijven en moet een archeoloog steeds zijn horloge en de overgebleven hoeveelheid perslucht in de flessen in gaten houden. Surface supply heeft wel als nadeel dat de stroming aan de slang kan trekken.

Het zicht onder water is anderhalf tot vier meter. De twee duikers kunnen dus niet de groep duikers met persluchtflessen zien die op honderdvijftig meter afstand twee andere plekken onderzoeken. Onderzoek met een sonar heeft doen vermoeden dat op een van die plekken kanonnen liggen, iets verderop zijn onder meer tonnetjes gelokaliseerd.

Bij beide plekken is het de vraag of ze met De Rooswijk te maken hebben. Hier zullen amateurduikers aan het werk gaan. De meeste van de achttien betrokken studenten zullen niet duiken, maar zich op het land bezighouden met de uitwerking van de vondsten.

Duiken gebeurt steeds tussen hoog- en laagtij. In het gunstigste geval kan er acht tot twaalf uur per dag gedoken worden. Maar door springtij zullen er ook dagen zijn dat er niet gedoken kan worden. Manders denkt dat ze die dagen kunnen gebruiken om zaken uit te werken.