Recensie

De romantiek is uit de wielerboeken verdwenen

Zaterdag begint de Tour de France. In hedendaagse wielerboeken hebben lyrische beschrijvingen van heldendaden op de racefiets plaatsgemaakt voor onthullingen en reconstructies. De boeken zijn er beter op geworden.

Thomas Dekker in 2011. Foto Guus Schoonewille/ANP

De wielrenner die niet het hele verhaal vertelt, hoeft helemaal niks meer te vertellen. De bijl is in de wielerromantiek gezet. Het grootschalige dopinggebruik van de jaren negentig heeft ertoe geleid dat de wielerboekenlezer wil weten wat de renner dacht, nam, met wie hij sprak en liefst ook nog wat er op de hotelkamer gebeurde. Het best verkochte Nederlandse wielerboek van de afgelopen jaren is Thomas Dekker - Mijn gevecht (2016), de biografie van Dekker, waarin manden vol vuile was buiten worden gehangen en geen hotelkamergeheim overeind blijft. Meer dan 120.000 exemplaren werden ervan verkocht.

Lees hier een recensie van de biografie van Thomas Dekker: Mateloos talent trekt maten mee bij zuivering geweten

Is deze nieuwe openhartigheid, op het exhibitionistische af, slecht voor het genre van het wielerboek? Dat lijkt er niet op. De afgelopen vijftien jaar is niet alleen de productie, maar ook de kwaliteit van wielerboeken erg hoog. Er viel door al die dopingzondaars natuurlijk nogal wat op te biechten. Aan vooral Angelsaksische schrijvers is het te danken dat er bovendien veel wielergebeurtenissen en -levens tot in detail zijn gereconstrueerd. Juist aan reconstructies ontbrak het lange tijd in het schrijven over wielrennen, aldus socioloog en wielerboekenschrijver Benjo Maso in 1989 in Vrij Nederland.

Lyrische verslaggeving

‘Wielerjournalistiek is een constructie en geen reconstructie van het wedstrijdverloop. Omdat journalisten zelfs in het beste geval alleen maar fragmenten van de koers zien, kan de kwaliteit van hun verslagen alleen maar worden afgemeten aan de wijze waarop zij de hiaten in hun kennis met hun eigen fantasieën weten op te vullen’, schrijft Maso over de beginjaren van de wielerjournalistiek. Hij legt uit hoe journalistiek en wielrennen rond 1900 hand in hand gingen. De eerste wielerwedstrijden werden bedacht en georganiseerd door kranten om hun oplage te vergroten met exclusieve verslaggeving. Zonder televisieregistratie waren die verhalen het enige waar het publiek op kon varen. Kranten waren in die tijd gebaat bij lyrische verslaggeving van spannende wedstrijden.

Anne van Wieren

Je leest het terug in de vroege wielerboeken. Antoine Blondin en Dino Buzzati, die tussen 1949 en1980 over wielrennen schreven, staan bekend om hun bloemrijke stijl, vol lyriek en rijke metaforen. Wie hun boeken er nu bij pakt, heeft er taaie kost aan. Wanneer de televisieverslaggeving op stoom komt, ontstaat de vraag naar een ander soort wielerboek. Mart Smeets weet die behoefte perfect in te vullen. Wat hij als commentator voor de NOS niet in de televisie-uitzending kwijt kan – gesprekken in het hotel, na de race, als het stof van het strijdgewoel is geluwd – verwerkt hij in zijn columns en boeken.

Wieleromerta

Maar ook dat was niet het hele verhaal, bleek de afgelopen jaren. Verslaggevers die het waagden om meer te onthullen dan de renners genegen was, konden op een boycot rekenen. En dus werden ze gedwongen om mee te doen aan de befaamde wieleromerta, waarin werd gezwegen over dopinggebruik. De andere optie was om uit de wielerwereld te worden gestoten en geen enkele renner meer te spreken. Voormalige renners als Paul Kimmage en Peter Winnen, die eerlijk over hun eigen gebruik schreven, kregen boze reacties van hun oud-collega’s. Lance Armstrong, die een dopingsysteem had opgezet waaraan zijn hele team moest meedoen, maakte het leven zuur van iedereen die hem durfde te bekritiseren. Misschien is die opkomst van Armstrong wel de laatste ‘constructie’ van een winnaar. Zijn verhaal, de Amerikaan die na zijn teelbalkanker zeven keer de Tour de France wint, wist veel kijkers en lezers te raken.

Sinds dit bedrog is uitgekomen, moet iedereen met de billen bloot. Geen renner kan nog met een biografie komen waarin doping niet aan bod komt. Schrijft een renner iets te luchtig over zijn eigen gebruik, dan ontvangt hij meteen de kritiek dat de doping te weinig aan bod komt. Heeft een renner die in de belangrijke dopingjaren 1990 tot 2010 actief was géén biografie geschreven, dan is de kans groot dat hij zijn verhaal niet wil vertellen. Walter Godefroot, wielrenner en daarna in de jaren negentig ploegleider, zei dit onlangs nog als verklaring waarom hij geen biografie gaat schrijven: „Als je A zegt, moet je ook B zeggen. En dat wil ik voor mijzelf houden.”

Huiveren

Een oudere generatie wielerschrijvers zal gehuiverd hebben bij de onthullingen die hun jongere collega Thijs Zonneveld optekende uit de mond van Thomas Dekker.

Anne van Wieren

Zonneveld wilde niet alleen van het dopinggebruik alles weten, maar ook van wat zich afspeelde achter hotelkamerdeuren en in het onderlinge contact. Omdat doping juist in de privésfeer werd ingenomen, doorbraken ook journalisten de scheidslijn tussen sport en privé. En dus lezen we over de seksuele en alcoholische escapades van Thomas Dekker en zijn ploeggenoten, onder wie Michael Boogerd. In De wereld draait door sprak Frits Barend er schande van: „Er is een erecode van de kleedkamer. De klasse van de journalist is dat je precies weet wat je in vertrouwen houdt en wat je niet in vertrouwen houdt.” Die vlieger gaat dus niet meer op. De erecode geldt niet langer, nu de zevenvoudig Tourwinnaar stelselmatig iedereen blijkt te hebben belogen en bedrogen. Sindsdien zijn ook kleedkamerverhalen niet meer heilig. Het laatste restje wielerromantiek is verdwenen. Constructie wordt definitief reconstructie.

De beste boeken in vijf subgenres:

1.DE RECONSTRUCTIE

In dit genre wordt er op basis van verslagen, interviews en ander bronnenmateriaal in een boek een bepaalde gebeurtenis gereconstrueerd. Benjo Maso is in en buiten Nederland befaamd om zijn reconstructies. In 1990 verscheen Het zweet der goden, over de geschiedenis van de wielersport, in 2003 reconstrueerde hij de Tour van 1948 in Wij waren allemaal goden en in Nederland heeft de gele trui (2015) beschreef hij hoe de eerste Nederlanders in de Tour presteerden. De bekendste en misschien wel beste reconstructie van een Tour is Slaying The Badger (2011) van de Schot Richard Moore: een spannend boek over de Tour de France van 1986, waarin de oude Bernard Hinault zich niet gewonnen wilde geven tegenover zijn sterkere en jongere ploeggenoot Greg LeMond.

2. DE BIOGRAFIE

De meeste boeken over wielrennen zijn biografieën van renners. Die kunnen worden geschreven na de dood van een renner, met veel kundig onderzoek, zoals Put Me Back On My Bike (2002) van William Fotheringham, over Tom Simpson, en The Death Of Marco Pantani (2006) van Matt Rendell. De beste autobiografieën zijn Racing Through The Dark (David Millar, 2011), We Were Young And Carefree (Laurent Fignon, 2010), Van Santander naar Santander (Peter Winnen, 2000), Rough Ride (Paul Kimmage, 1990) en The Secret Race (Tyler Hamilton, 2012). De levensverhalen van Bernard Hinault (wederom William Fotheringham, 2015), Robert Millar (wederom Richard Moore, 2007), Rini Wagtmans en Roy Schuiten (beide door Peter Ouwerkerk) mogen evenmin ontbreken in de boekenkast van de liefhebber van het genre. In de bibliotheken die zijn volgeschreven over Eddy Merckx valt de recente biografie (2015) van Johny Vansevenant positief op. Bijzonder is ook het boek Lance Armstrong’s War (2005), geschreven door Daniel Coyle, ver voordat het dopinggebruik uitkwam. Armstrongs bezetenheid wordt er zo goed getoond dat de dopingonthullingen voor lezers van dit boek niet als een verrassing kwamen.

3. DE BANKZITTER

Een nieuw subgenre van wielerboeken wordt geschreven door de bankzitter. Research wordt er niet gedaan, maar met behulp van de uitzendingen van wedstrijden en de informatie online wordt de eigen ervaring beschreven. De bekendste bankzittende wielerkijker is Frank Heinen, die het voor elkaar krijgt dat je met plezier nog eens terugleest wat je eigenlijk zelf ook al hebt gezien. Voor de bankzitters is dit jaar zelfs Praat maar vol, jongens verschenen, een transcriptie van het Belgische televisieverslag van de Olympische wegrit die in 2016 werd gewonnen door Greg Van Avermaet.

4. DE WIELERROMAN

Met Ventoux (2013) schreef voormalig wielerverslaggever Bert Wagendorp een bestseller waarin dankzij fictie het wielrennen gecombineerd kon worden met romantiek en jeugdherinneringen. Onbetwist de beste wielerroman is De Renner van Tim Krabbé (1978). Ook door wielrenners wordt het boek nog gelezen en geprezen om de manier waarop Krabbé de ervaringen tijdens een wielerwedstrijd wist te verwoorden. Sinds Ventoux verschijnen er steeds meer wielerromans. Vaak geschreven door heren in het midden van hun leven, met een niet altijd even geslaagd resultaat.

5. DE FIETSER

Ook voor de lezer die zelf fietst, verschijnen er steeds meer boeken die verder gaan dan tips hoe je een derailleur moet afstellen en wat je moet eten voor het sporten. Befaamd zijn de 95 ongeschreven wielerwetten getiteld The Rules (2013), opgesteld door een Amerikaans collectief dat zich Velominati noemt. De kale berg (2002), onder redactie van Lex Reurings en Willem Janssen Steenberg, beschrijft alles over de Mont Ventoux en wordt verslonden door fietsers die de betreffende berg op willen. Columnisten als Wilfried de Jong en Thijs Zonneveld nemen vaak hun eigen wielerervaringen op in hun verhalen. Datzelfde deed Tim Krabbé in de gebundelde 71 wielerverhalen onder de noemer De veertiende etappe (2015) – Krabbés tweede boek dat niet in de collectie wielerboeken mag ontbreken.