Recensie

Een schets van buitengewoon normale omstandigheden

Een normaal leven heeft in een roman zo zijn beperkingen, desalniettemin lijkt het wel een trend. In Vichy, de tweede roman van Jan-Willem Anker, moet je op zoek naar het drama – vergeefs.

Zo langzamerhand heeft bij mij het idee postgevat dat er nogal wat schrijvers zijn die lak hebben aan het construeren van drama in hun romans. De opvallend vlak verlopende romans van Robbert Welagen (al is zijn Het verdwijnen van Robbert een uitzondering) vormden al een indicatie en ook het recente De mensengenezer van Koen Peeters is er een goed voorbeeld van. Peeters put zich uit in het verstrekken van de data die zijn antropoloog verzamelt, terwijl een voor de hand liggende emotionele uitwerking op de wetenschapper genadeloos uitblijft.

Wat is hier aan de hand? Een mogelijke verklaring kwam ik tegen in een roman-in-wording van een afstuderende creative writing-student. Hierin blikt een voormalige studente Engels teleurgesteld terug op al de klassieke romans die ze voor haar studie moest lezen. Waarom waren de personages toch altijd in de problemen geplaatst, vraagt ze zich af. Ze had veel liever romans gelezen waarin helder werd gemaakt hoe het was om te leven onder normale omstandigheden.

Parachuteloze sprongen

Hier valt iets voor te zeggen, alleen al omdat een gemiddeld mensenleven geen aaneenschakeling is van parachuteloze sprongen uit vliegtuigen of waterloze wandelingen door de droogte. Maar tegelijk, en dit argument is volgens mij sterker, legt een romanschrijver zich met de schets van normale omstandigheden wel erg veel beperkingen op. Wat wordt er immers onderzocht? Van de meeste normale omstandigheden zijn wij lezers allang op de hoogte.

Dit is het euvel van Jan-Willem Ankers tweede roman Vichy, het verhaal van Elmar, een docent Frans in opleiding die een tijdje in het Franse Vichy verblijft om een cursus te volgen. Het is daar loeiheet, en in Nederland wacht zijn zwangere vriendin op hem. Dit, plus de toevoeging van de aanlokkelijke medecursiste Julia, zijn zo ongeveer de elementen waarmee Anker (1978) aan de slag gaat. Het is warm, gruwelijk warm, en terwijl men het water in Vichy rantsoeneert, neuken Elmar en Julia in een hotel. Alleen op die paar pagina’s laat Anker echt zien waar hij als schrijver toe in staat is; in het geglibber en geglij gaat het opeens over God, gaat er tegenover de hotelkamer een operahuis in vlammen op en geven de twee minnaars elkaar in pas verworven Frans venijnig de sporen. Elmar ‘voelt zich tot ridder geslagen, opgenomen in goddelijke kring. Het was de vervolmaking van mijn ik-vorm, de vergoddelijking van wie ik was, mijn tot superieure levensvorm opbruisende, verdampende zelf!’ Ik weet niet welke filosoof Anker hier parafraseert, maar het moge duidelijk zijn dat het orgasme een groot ding is.

Verder staat Vichy helaas bol van anekdotes die of geen deel uitmaken van een grotere gedachte, of niet onderhoudend genoeg zijn omdat ze intellect of hart niet beroeren. Even lijkt het dat een stervende man uit de openingsscène Elmar als een Magere Hein zal achtervolgen, maar dan toch weer niet. Elmar rent zonder water en met een vrijwel lege telefoonbatterij een berg op, maar weet zichzelf dan toch snel weer veilig te stellen. Dames en heren romanschrijvers: u ziet de roman inmiddels toch niet aan voor een echo van onze kalm verlopende levens?