1917, de geboorte van de jazzplaat

Honderd jaar geleden werd jazz voor het eerst op de plaat gezet. En er werden drie jazzgrootheden geboren, die door NSJ worden herdacht.

Thelonious Monk, 1959 Foto W. Eugene Smith/AP

North Sea Jazz eert deze editie het jaar 1917, een eeuwfeest voor een betekenisvol jazzhistorisch jaar. Het startpunt van de jazz in Amerika lag in 1917, zegt men wel, want dat klinkt zo lekker precies. Maar het is eigenlijk niet waar. De ontstaansgeschiedenis van de jazz hangt van vele gebeurtenissen aan elkaar, en de vroege vormen van jazz, getransformeerd via de spirituals, de worksongs, ragtime en blues, werden al langer dan honderd jaar geleden gespeeld. Hoe het klónk met al zijn collectieve improvisaties wist het publiek enkel door optredens – in de kroegen, de bordelen, de streetparades en op de begrafenissen in het zuiden van Amerika.

Daar bracht de Original Dixieland Jazz (‘Jass’) Band, een blank jazzkwintet uit New Orleans onder leiding van kornetspeler Nick LaRocca, verandering in. Hun Livery Stable Blues, een blues van twaalf maten in New Orleans jazzstijl (dixieland) in oneven swing, is bekend komen te staan als de eerste jazzopname ooit. Hoewel er destijds waarschijnlijk veel betere zwarte bands waren die authentiekere en veel betere muziek maakten – naar verluidt bedankte trompettist Freddie Keppard voor de eer omdat hij bang was nagebootst te worden – legde de Original Dixieland Jazz Band op 26 februari 1917 voor het eerst een jazznummer vast. Een 78-toerenplaat in de Victor Studios in New York.

Opvallend aan de Livery Stable Blues waren de dierengeluiden. De wat opgejaagde dixieland imiteert diverse dieren op de boerderij: een haan (een klaaglijke klarinet), een paard (een hikkende kornet) en een koe (een lage ‘growling’ trombone). Het nummer, later nog hertiteld als Barnyard Blues, werd een hit.

Dat commerciële succes met voor die tijd baanbrekende muziek is een ijkpunt in de jazzgeschiedenis. De Livery Stable Blues introduceerde een breed Amerikaans publiek aan jazz, of ‘jass’ zoals het eerst werd genoemd. Het markeert het begin van ‘The Jazz Age’, de naoorlogse periode (jaren twintig) waarin dansmuziek met de eerste grammofoonplaten won aan populariteit, en had een groot effect op latere musici.

Steden gingen een eigen geluid ontwikkelen. De eerste zwarte opname liet overigens op zich wachten. De platenlabels durfden dat niet goed aan in een racistisch verdeeld land. In 1921 verscheen Ory’s Creole Trombone van Kid Ory’s Sunshine Orchestra.

Fitzgerald en Gillespie

Honderd jaar geleden werd ook een aantal grootse, kleurrijke jazzcentennials geboren. Zoals Ella Fitzgerald. Met grote lichtheid en vrolijkheid gebruikte de zangeres haar stem om te scatten (waardoor de stem een instrument wordt). De techniek is hondsmoeilijk vanwege de timing, maar Ella liet het eenvoudig lijken.

Na het winnen van een concours in het Apollo Theater in Harlem brak ze door. Ze werd een ster in de swingperiode en later de bebop, en nam met haar door drie octaven bewegende stem haast het hele American Songbook op. Ruim een halve eeuw stond de in 1996 gestorven zangeres aan de top; ze verkocht meer dan veertig miljoen platen. Hoewel in haar liedjes de zon scheen, had ze het privé lastig: een moeilijke jeugd, drie mislukte huwelijken en een slechte gezondheid.

Dan trompettist Dizzy Gillespie, ook zo’n markante jazzmusicus die geboren is in 1917. Het beeld van die immens opgebolde wangen en nek, en die rare Silver Bell-toeter met ongewone vorm, de trompetbeker schuin naar boven, staat voor eeuwig op ons netvlies. En zijn sound – een superieure blaastechniek, hoger en sneller dan wie ook – klinkt nog altijd na.

John Birks alias Dizzy Gillespie verwierf zich een status die maar weinig jazzmuzikanten bereikten: bekend bij jong en oud, algemeen gerespecteerd. Hij was een kernfiguur met Charlie Parker en Thelonious Monk in de nieuwe jazzmuziek van toen: bebop.

Hij zette in 1947 de enige echte bebop bigband uit de geschiedenis op poten en zou blijven spelen met grote bands; Dizzy kon zijn kwaliteiten als componist-arrangeur gewoon niet helemaal kwijt in kleinere bezettingen. Naast schitterende frasen op zijn trompet, had hij, tot aan zijn dood in 1993, veel fratsen om een publiek te bereiken: van grappen tot malle kleren en flauwe zangteksten.

Thelonious Monk

Hoe anders was dan weer de muziek van generatiegenoot Thelonious Monk, een grillig en groot pianist en het buitenbeentje van de nieuwe muziek. Al is de liveplaat Giants of Jazz (Kopenhagen 1971) waarop Gillespie en Monk sámen in een band zitten er zeker een om op te snorren. De in 1917 in Rocky Mount (North Carolina) geboren Monk is om zijn grillige ‘onaangepaste’ spel, de stride-speeltechnieken, de off-beat melodieën en humor vaak weggezet als excentrieke zonderling.

Ja, zijn bipolaire stoornis zat ’m flink in de weg. Maar hij was een muzikaal genie die vernieuwend en zo ongelimiteerd mogelijk grandioze constructies bouwde. Round Midnight is een van de vele Monk-klassiekers die tot het lesmateriaal van elke jazzmuzikant behoren.

Met aandacht voor de vreemde schoonheid van zijn muzikale scheppingen wordt deze hoekige pianist en componist twee maal op North Sea Jazz geëerd door het MONK’estra van pianist en arrangeur John Beasley. En ook de andere voortrekkers uit 1917 lopen door het programma.