Trump als McCarthy

Hoe impopulair president Trump wereldwijd (behalve in Israël en Rusland) ook mag zijn, voorlopig zit hij nog stevig in het zadel. Mijn intuïtie zegt me dat dit nog een hele poos, misschien wel 7,5 jaar, zo zal blijven. Hoe feller de aanvallen op hem worden, hoe loyaler zijn aanhang in eigen land zich zal tonen.

Progressief Amerika begint zich steeds ongemakkelijker onder dat vooruitzicht te voelen, ook omdat de reactie van de Democraten nog niet overtuigend is. Veelzeggend was de venijnige slotregel in de recente column van Maureen Dowd in The New York Times: „Trump mag dan maf genoeg zijn om de wereld op te blazen, maar de Democraten zijn maf als ze denken dat zijn gekte voldoende is om hen te redden.”

De Democraten lijken zich te veel te fixeren op afzetting via impeachment, maar voorlopig is er nog geen smoking gun (mijn Amerikaans wordt steeds beter) gevonden, en vermoedelijk gaat dit ook niet meer gebeuren. Anders zou zich toch al wel een Deep Throat-achtige klokkenluider hebben gemeld bij de gretige, progressieve pers?

Inmiddels lopen er liefst drie onderzoeken tegen Trump inzake Russische connecties, en je moet er niet aan denken dat in geen van die onderzoeken sluitend bewijs wordt gevonden. Hij zal zwelgen in zijn triomfalisme; ministers, medewerkers en ook die oneerlijke journalisten die hem zo haten, iedereen zal moeten opdraven om te horen dat het gedaan is met de heksenjacht op hem en dat hij nu eindelijk kan doen waarvoor hij geboren is: Amerika groter maken dan het ooit is geweest.

Wat ons dan nog rest, is doorgaan met kankeren op Trump – overigens een plezierig tijdverdrijf. Ik ben dan ook blij dat acteur Alec Baldwin besloten heeft zijn tv-satire op Trump na de zomerstop voort te zetten. Zijn Trump is nóg lachwekkender dan de echte Trump.

Serieuze aanvallen (en verdedigingen!) blijven uiteraard ook welkom. Ik las zo’n aanval in een artikel van James Risen, journalist van The New York Times, en zijn zoon Tom. Zij vergelijken Trump met Joe McCarthy, de beruchte Amerikaanse senator die in de jaren vijftig een heksenjacht ontketende op iedereen die hij voor communist hield.

In 1950 hield McCarthy een opzienbarende toespraak in Ohio, waarin hij beweerde dat hij de namen had van 205 communisten die voor het ministerie van Buitenlandse Zaken zouden werken. Een nationale storm van bittere debatten stak op; McCarthy kon het hoge aantal niet waarmaken. In 2016 hield Trump, ook in Ohio, een rede waarin hij, verwijzend naar de terreur van IS, over de marteltechniek waterboarding zei: „Ik denk niet dat het stevig genoeg is.”

McCarthy en later Trump hadden dezelfde adviseur (advocaat Roy Cohn), zo stellen James en Tom Risen vast, en zij delen dezelfde apocalyptische, politieke strategie: het permanent aanjagen van angst. McCarthy tegen (vermeende) communisten, Trump tegen moslims en latino’s. „Daaronder ligt een brede en onuitgesproken angst voor het dreigende verlies van de witte dominantie in de Amerikaanse samenleving”, aldus de Risens.

McCarthy groef met zijn wilde beschuldigingen uiteindelijk zijn eigen politieke graf, maar daar houdt de vergelijking met Trump misschien wel op, voeg ik er enigszins pessimistisch aan toe.