In E-stland kun je gewoon bellen met de premier

De correspondent

Estland wordt voorzitter van de Europese Unie. Het land zeurt niet en is zijn tijd ver vooruit, weet Tijn Sadée.

In Estland, vanaf donderdag voor een half jaar EU-voorzitter, houden ze niet van protocol. „Wij doen hier aan korte lijntjes, wij Esten hebben geen geheimen,” zei toenmalig premier Andrus Ansip toen ik hem in 2012 opzocht in zijn werkkamer.

De ontmoeting was in journalistiek opzicht een unieke ervaring. In Brussel bereidde ik mijn reis voor naar het Baltische land met als opdracht: zoek uit wat het geheim is achter het economische succes van de Esten.

Ik moest halsoverkop vertrekken, kende niemand in hoofdstad Tallinn, maar een aardige Estse collega in Brussel gaf me op de valreep een lijstje met namen van ondernemers en politici. In de kroeg had ze nog snel het nummer van het kabinet van de regering met potlood erbij gekrabbeld.

Wij maken liever geen schulden waar we onze kinderen en kleinkinderen mee opzadelen

De volgende ochtend, een paar uur voor vertrek, belde ik naar het kabinet. Een zachte, brommende stem aan de andere kant van de lijn.

„Wíé precies wilt u spreken?”

Ik legde uit dat ik er zeer bij gebaat zou zijn als ik iemand in het kabinet met een lijntje naar de premier zou kunnen benaderen. En ik putte me uit in nog wat andere onnozele beleefdheden die de man met zacht brommende stem merkbaar ongeduldig maakten.

„Kabinet?” onderbrak hij me.

Van een kabinet en van lijntjes naar de premier, daar kreeg hij een vieze smaak van in zijn mond. „Maar waarom zegt u niet gewoon wat uw bedoeling is?”, klonk het plots.

Op wat minder beleefde toon vertelde ik dat ik een interview met de premier probeerde te regelen, maar dat ik het wel via een andere weg zou fixen.

„Dan wens ik u een goeie reis. En als u bij dat ‘fixen’ nog op problemen stuit, kunt u altijd nog bij mij terecht.”

„Weet u het zeker?”

„Ik dacht het wel,” lachte de man. „Ik ben namelijk de premier.”

Een etmaal later zat ik tegenover hem. Geen woordvoerder of spindoctor te bekennen in zijn kantoor – dat soort fenomenen vinden ze in Estland maar ouderwets.

E-stonia is de bijnaam van het meest gedigitaliseerde land van Europa. Van een verarmd Sovjetrepubliekje veranderde Estland na de onafhankelijkheid in 1991 in sneltreinvaart in hipsterland. Het hoofdkantoor van internettelefoniebedrijf Skype, een Estse uitvinding, is ingericht als een loungebar. Voor het personeel staan sauna, snookertafel en relaxruimte ter beschikking.

Ik ben namelijk de premier

Al jaren stemmen Esten online en het land is e-pionier met volledig digitale patiëntendossiers en virtueel burgerschap. Toen ze in 2011 de euro introduceerden, moest het land eerst flink bezuinigen om de Europese begrotingsafspraken na te kunnen komen. De gemiddelde Est leverde een kwart van zijn salaris in en moest slikken dat Estland meteen ging meebetalen aan noodhulp voor Griekenland en andere oude eurolanden die kreunen onder hun schuldenlast.

„Nooit spijt gehad?” vroeg ik de zwetende Skype-hipsters . „We pikten het, er waren geen protesten, dat is een beetje onze natuur.”

Esten leven niet graag op de pof. „Wij maken liever geen schulden waar we onze kinderen en kleinkinderen mee opzadelen,” zei premier Ansip in het regeringsgebouw op Tallinns citadel.

Hij is inmiddels Eurocommissaris in Brussel. De huidige premier is Jüri Ratas, met 38 jaar een van Europa’s jongste regeringsleiders. Aan hem om het komende half jaar Europa de weg te wijzen. Vorige week in Brussel zette hij alvast de toon. Aan de vier pijlers onder de Europese interne markt – vrijheid van verkeer van goederen, kapitaal, diensten en personen – wil hij een vijfde toevoegen. „Ik wil ook vrij verkeer van data.”

Voor wie met Ratas in contact wil komen, ik heb het briefje met het telefoonnummer van het ‘kabinet’ nog. Maar bellen in Estland is wel heel erg oubollig. Skypen kan ook.