Cultuur

Interview

Interview

Introvert snelheidsmonster Baby (Ansel Elgort)

‘Superhelden zijn de parodie voorbij’

Edgar Wright

De Britse regisseur is de beste leerling van Quentin Tarantino. In ‘Baby Driver’ zet hij een aanstekelijke misdaadfilm op muziek. „Toen we de rechten van de songs hadden, begon het echte puzzelen pas.”

Hoe noem je dat, een race- en schietfilm op popmuziek? Een chase musical, een achtervolgingsmusical, stelt de Britse schrijver-regisseur Edgar Wright (43) voor. Zijn nieuwste film, Baby Driver, is weer eens een genre op zich geworden. Zoals vaker sinds zijn doorbraak, ‘rom-zom-com’ Shaun of the Dead in 2004: een romantische zombiekomedie.

Baby Driver gaat vermoedelijk de boeken in als de meeste inventieve en speelse popcornfilm van 2017, met de soundtrack in een hoofdrol. Zelf vergelijkt Wright de film graag met The Blues Brothers (1980), al was het maar omdat zijn idool John Landis die muzikale achtervolgingsfilm regisseerde. Maar The Blues Brothers draaide om muziek, terwijl Baby Driver draait óp muziek.

Als Nederlander kom je in een telefonisch gesprek niet onder de vraag uit: hoe kwam Edgar Wright uit op Radar Love van Golden Earring en Hocus Pocus van Focus in zijn soundtrack? „Radar Love is een inkoppertje, dat is dé klassieke autotrack. In de film draait de chauffeur, Baby, net zo lang aan de autoradio tot hij Radar Love vindt en spuit dan pas weg.” Waarna de muziek naadloos overgaat op Hocus Pocus. „Bewust Nederlandse nummers, rug aan rug”, zegt Wright. „Ik zag Focus in een oude clip van het televisieprogramma The Old Grey Whiste Tour: indrukwekkend. Een soort Muppets, totale waanzin gebracht met absolute technische beheersing. Die gecontroleerde waanzin paste perfect bij dit hectische gedeelte van de film, waar Baby’s wereld in duigen valt.”

Leerling van Tarantino

Popmuziek speelt in films van Edgar Wright altijd een grote rol. Dat kan je verwachten van een acoliet van Quentin Tarantino, met wie Wright bevriend is sinds hij naar Los Angeles verhuisde. Wrights stijl stamt uit de jaren negentig: een sardonische fanboy die genres binnenstebuiten keert en films volstouwt met cartoon-personages, beeldcitaten en pop-referenties. Die zich te buiten gaat aan spektakelshots en flitsmontage, aan versnelling, slow motion en freeze frames. Maar die tussen die visuele overdaad een zeer herkenbare filmstijl behoudt.

Edgar Wright werd beroemd met zijn ‘Three Flavors Cornetto Trilogy’. In de trits absurde, oer-Britse komedies Shaun of the Dead (2004), Hot Fuzz (2007) en The World’s End (2013) combineerde hij zombiehorror, politie-buddymovie en alien invasion met plots over vastgeroeste kindmannen. De helden waren zenuwpees Simon Pegg en lobbes Nick Frost, een duo à la Don Quichot en Sancho Panza. Tussendoor maakte hij in 2010 Scott Pilgrim vs. The World, waarin een millennial in videogamestijl afrekent met de zeven exen van zijn nieuwe vlam. Door de kritiek en collega’s onthaald als visionair, was Wright zijn publiek te ver vooruit. Scott Pilgrim flopte, maar leeft voort als cultfilm.

In 2014 bleek hij ook niet geschikt voor de lopende band van superheldenfabriek Marvel: hij ruimde na jaren van voorbereiding het veld als regisseur van superheldenfilm Ant-Man. „Ik wilde dolgraag een Marvelfilm maken”, legde hij later uit. „Maar Marvel wilde niet echt een Wrightfilm.” Drie jaar na dato is hij naar eigen zeggen best in de markt voor Star Wars of James Bond, maar niet voor superhelden. „Het probleem is dat de parodie ouder is dan het genre. Batman begon als grap in de tv-serie met Adam West en de films van Tim Burton. Pas in de 21ste eeuw gingen we superhelden serieus nemen in Spider-Man, X-Men en Nolans Batman. Nu beweegt het genre zich weer richting parodie, tongue in cheek. Voor mij valt er in dat genre weinig te ondermijnen.”

Dan liever iets fris als Baby Driver? Wright grinnikt wanneer ik – zonder twijfel als zoveelste interviewer – opmerk dat hij een nieuwe weg inslaat met zijn nieuwe film. „A departure? Welnee, de rest van mijn films zijn een afwijking.” Het idee voor Baby Driver ontstond namelijk 22 jaar geleden, toen Wright ’s nachts Bellbottoms van The Jon Spencer Blues Explosion op de autoradio hoorde. Een ideale track voor een racefilm, dacht hij. En toen: wat als je alle choreografie, actie en stunts echt op muziek zet?

Geen spierballen, geen geld, geen ervaring

Wright: „Ik schreef direct een treatment [een samengevat scenario, red.] met een held, Baby, en acht tot tien nummers. En daar liet ik het bij, want ik was 21 jaar en had een uitkering. Ik had de spierballen, noch het geld, noch de ervaring om zoiets van de grond te tillen. Rond 2010 was ik wel zover, en schreef ik Baby Driver uit met concrete songs.”

Hij was indertijd „best benauwd” over Drive van Nicolas Winding Refn, bekent hij. „We baseerden ons allebei op The Driver van Walter Hill, een cultfilm uit 1978. Maar de producent van Drive, die ik kende van Scott Pilgrim, stelde me gerust: dit was iets heel anders. Drive zou Baby Driver juist kunnen helpen. Het publiek moet zich wel goed bewust zijn van een filmgenre voordat ik dat succesvol kan parodiëren. Zo ging het indertijd ook met Shaun of the Dead, dat vrij snel na 28 Days Later kwam. Doordat Danny Boyle de zombiefilm nieuw leven had ingeblazen, was er enorme honger naar méér zombies.

„Het idee achter Baby Driver bleek wel duur en tijdrovend. Eerst moesten we de rechten van alle songs clearen, en daarna werd het pas echt puzzelen. Ik had story-boards, maar bij elke achtervolging moet je uitmeten of een straat lang genoeg is voor een muziekfragment en waar je het obstakel neerzet, zodat Baby precies remt waar de gitaarsolo inzet. Voor de acteurs was het een interessante uitdaging om hun dialogen en bewegingen te timen op muziek die ze op hun draadloze oordopjes hoorden. Een soort acteerdansen.”

Baby Driver begint als vrolijke misdaadfilm rond de piepjonge, koelbloedige superchauffeur ‘Baby’ (Ansel Elgort), die bankrovers in veiligheid brengt na een overval. Zij zien de stille jongen met zijn babyface, zonnebril en oordoppen niet voor vol aan, blijkt al snel. Baby is van zijn kant ook liever elders: dit is een blitse adrenalinerush waarin de lach wegsterft en steeds meer wolken voor de zon schuiven.

Wright: „Ik zag Baby Driver niet primair als een komedie, dat was wel nieuw voor mij. De bende ontrafelt, de controle raakt zoek, de handschoenen gaan uit. Eigenlijk staat Baby Driver zo een beetje in de traditie van jarendertiggangsterfilms van Warner Brothers. Eerst is geweld aantrekkelijk, dan dringt langzaam door hoe duister de helden zijn, waar het geweld toe leidt.”

Tinnitus

Held Baby schermt zich af van zijn omgeving met muziek. Dat overstemt zijn tinnitus, een hinderlijke piep in zijn oor – Edgar Wright leed er zelf aan als tiener. Hij zegt ook zelf vaak vrij obsessief passende muziek bij zijn activiteiten te zoeken. Is muziek, een grote koptelefoon, een defensief mechanisme om je te verstoppen voor de wereld?

„Niet voor mij, zeker wel voor Baby”, zegt Wright. „Hij is iemand die iets moet doen wat hij eigenlijk niet wil. Hij maakt zichzelf halfhartig wijs dat hij geen crimineel is, houdt zijn collega’s met muziek op afstand. Die kloof tussen je zelfbeeld en wat je werkelijk doet, is vrij universeel, zeker voor jongeren. Wie definieert zichzelf als medewerker van McDonald’s?”