Commentaar

Het leed van Srebrenica is niet uit te drukken in procenten

Natuurlijk, de daders hebben het gedaan. Maar ook de Nederlandse staat treft blaam. Daarbij past erkenning en ruiterlijke betaling van smartengeld.

Sinds de val van zijn tweede kabinet op 16 juni 2002 blijft toenmalig premier Wim Kok (PvdA) herhalen: het boek Srebrenica kan nooit worden gesloten. En daarin heeft hij tot nu toe gelijk. Het gaat om de noodlottige val van de gelijknamige moslimenclave op 11 juli 1995 tijdens de burgeroorlog na het uiteenvallen van Joegoslavië. Bij de daaropvolgende genocide vermoordden de Serviërs zeker 7.000 mannen. Die waren toevertrouwd aan de bescherming van het Nederlandse VN-bataljon Dutchbat III. En dus gaat het ‘boek Srebrenica’ ook om het falen van het bataljon bij het beschermen van de burgers.

Politiek is door Wim Kok verantwoordelijkheid genomen door af te treden, een maand voor de verkiezingen, in 2002. Nederland zal ook niet snel meer troepen uitzenden op een vredesmissie, zonder een robuust mandaat en dito bewapening.

Maar juridisch sleept de trieste strijd om excuses, erkenning en schadevergoeding van nabestaanden van de slachtoffers zich ruim twintig jaar later nog steeds voort in een eindeloos lijkende reeks processen.

Zo velde het Haagse gerechtshof dinsdag een nieuw oordeel in hoger beroep over een claim van de zogeheten ‘moeders van Srebrenica’. Net als in eerste instantie in juli 2014 erkent het Hof de aansprakelijkheid van de Nederlandse staat. Althans voor de dood van de 350 mannen, die direct onder de bescherming van het bataljon vielen. Net als de rechtbank is ook het Hof van mening dat de staat niet aansprakelijk is voor het lot van de mannen die zich buiten het kampement bevonden.

De uitspraak is weer in lijn met het eerdere oordeel in hoogste instantie uit 2011 over de dood van drie Bosnische moslims, van wie er twee voor Dutchbat werkten. Ook zij werden overgeleverd aan de vijand. Bijzonder pijnlijk, en net zo pijnlijk is ook nu weer de vaststelling dat Nederland medeaansprakelijk is voor de moord op deze burgers.

In afwijking van de rechtbank meent het Hof evenwel dat die aansprakelijkheid niet volledig is: de mannen zouden volgens het Hof onder de benarde omstandigheden van dat moment hooguit een kans van 30 procent op overleven hebben gehad. Bijgevolg zou ook de schadevergoeding op dat percentage moeten worden vastgesteld. Hoe het Hof deze rekensom gemaakt heeft, is onduidelijk. Dat had beter gekund: het gaat hier immers niet om de restwaarde van een tweedehands auto na een botsing.

Voor nabestaanden gaat het boek ook niet dicht na 100 procent vergoeding van de schade. Natuurlijk, de daders hebben het gedaan. Maar ook de Nederlandse staat treft blaam. Daarbij past erkenning en ruiterlijke betaling van smartengeld.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.