Recensie

Netflix knuffelt het supervarken Okja

Regisseur Bong Joon Ho is de Koreaanse Spielberg. Maar zijn film Okja, vanaf dinsdag op Netflix, is geen meesterwerk. De stap naar een internationale, Engels gesproken film, valt hem zwaar.

De Britse actrice Tilda Swinton speelt een van de hoofdrollen in Okja, van regisseur Bong Joon Ho Foto Netflix

Een traditionele filmstudio zou zich nooit hebben gewaagd aan zo’n film. Dat hoor je op dit moment veel over Okja, de nieuwe film van de Koreaanse regisseur Bong Joon Ho, die vanaf woensdag te zien is op Netflix. Zijn film is te excentriek, te drastisch, te geëngageerd voor de grote studio’s, die bij films met een substantieel budget zoals Okja – zo’n vijftig miljoen dollar – alle risico’s vooraf zoveel mogelijk willen uitbannen.

Bong Joon Ho neemt inderdaad risico’s in zijn film over het veertienjarige meisje Mija, die, met hulp van een groep radicale dierenrechtenactivisten, alles op alles zet om haar genetisch gemanipuleerde supervarken Okja uit handen te houden van de vleesindustie, gepersonifieerd door de kwaadaardige bestuursvoorzitter Lucy Mirando (Tilda Swinton). De film begint idyllisch in de groene bergen van Zuid-Korea, waar Okja opgroeit bij Mija en haar grootvader, maar eindigt hartverscheurend en gruwelijk in de slachthuizen van de VS.

Over the top is Bongs favoriete stijlmiddel, met cartoonesk uitvergrote personages en actiescènes die tot ver in het absurde worden doorgetrokken. Die cartooneske aanpak maakt de film het meest geschikt voor jonge kinderen. Maar de indringende gruwelijkheden van de tweede helft van de film, maken Okja juist weer bijzonder ongeschikt voor die doelgroep.

En voor iedereen komt de film te vaak tot stilstand door lange, wezenloze dialoogscènes, die niet half zo geestig en spitsvondig zijn als Bong lijkt te denken.

De anti-vleesboodschap krijgt de kijker ook niet bepaald zachtzinnig ingepeperd; overigens eet Bong zelf wel vlees; hij is alleen tegen dier-onterende massasproductie in bioindustrie.

Knuffelbaar supervarken

Visueel is Okja wél een film van om van te smullen. De van oorsprong Nederlandse CGI-technicus Erik-Jan de Boer, die ook verantwoordelijk was voor de tijger in Life of Pi, leverde een innemend en knuffelbaar supervarken af, zeker in de betoverende eerste twintig minuten van de film.

Maar net als bij Bongs eerdere internationale coproductie Snowpiercer (2013), raakt de regisseur als verhalenverteller in Okja enigszins het spoor bijster. Vooralsnog steken de volledig in Zuid-Korea gesitueerde films van Bong ver uit boven zijn (deels) Engelstalige, internationale films.

Okja is zo een nogal curieus geval. Het is inderdaad waar dat geen Hollywoodstudio zich voor dat bedrag aan Okja wilde branden. Maar hadden de studio’s ook ongelijk? Streaming-gigant Netflix hapte wel toe, en gaf de regisseur zelfs carte blanche. Dat is een gok, maar ook weer geen hele grote. Want Netflix zwemt in het geld – met een aankoopbudget voor ‘content’ van liefst 6 miljard dollar per jaar. Het bedrijf kan zich van tijd tot tijd dus best een gokje veroorloven: een spraakmakend prestigeproject, waar het niet per se veel aan hoeft te verdienen.

Netflix drong met Okja zelfs door tot de filmcompetitie in Cannes, onder protest van de Franse bioscoophouders, aangezien Netflix de film niet in de Franse bioscopen uitbrengt. In Bongs eigen Zuid-Korea weigerde het overgrote deel van de bioscopen om Okja te vertonen. Netflix wenste zich niet te houden aan de afspraak die daar in de sector is gemaakt dat speelfilms pas drie weken na de première in de bioscoop digitaal beschikbaar mag komen.

Laconieke houding

Bong Joon Ho maakt zich – anders dan de meeste filmregisseurs – niet erg druk dat zijn nieuwe werk vrijwel niet te zien zal zijn op een groot scherm in de bioscoop. Alle films eindigen volgens hem tegenwoordig toch altijd op een televisie- of een computerscherm. Die laconieke houding zal er misschien mee te maken hebben dat de regisseur zijn eigen filmeducatie, naar eigen zeggen, niet opdeed in de bioscoop, maar door fanatiek zo’n acht tot tien films per week te kijken op televisie.

In eigen land leverden zijn films Bong terecht de eretitel ‘de Koreaanse Spielberg’ op. Met misdaadthrillers zoals Memories of a Murder en Mother en de monsterfilm The Host bewees hij zijn vermogen om populaire blockbusters te maken, die tegelijkertijd persoonlijk, emotioneel en intiem zijn.

Maar de stap naar een internationale, half Engels gesproken film blijkt toch een lastige te zijn. Bong is ook niet de eerste topregisseur die enigszins gaat zweven en zwenken na zo’n overstap. Diepe kennis van de details van de wereld waarin de film zich afspeelt laat zich niet zo gemakkelijk vertalen naar een heel andere, nieuwe setting. Bongs eigenzinnigheid en visuele flair blijven bewonderenswaardig, maar hebben veel betere films opgeleverd dan Okja.