Nederland raakt maar niet af van schuldvraag in drama Srebrenica

Srebrenica

Het Gerechtshof in Den Haag bepaalde dinsdag dat de Nederlandse staat deels aansprakelijk is voor ‘Srebrenica’. Aan nabestaanden moet een schadevergoeding worden betaald.

Evacuatie van vluchtelingen uit Srebrenica, 14 juli. Foto Wade Godard/Reuters

Weer een gerechtelijke uitspraak over de verantwoordelijkheid voor de massamoord op meer dan 7.000 moslimmannen in Srebrenica, nu 22 jaar geleden, maar weer geen absolute duidelijkheid.

Dat kan de conclusie zijn na de uitspraak dinsdag van het gerechtshof in Den Haag in de door nabestaanden aangespannen zaak tegen de Nederlandse staat. Hierin vroegen zij om schadevergoeding voor de dood van hun dierbaren. Het was de zoveelste fase in een juridisch gevecht dat eind 2002 begon.

Het gerechtshof in Den Haag geeft in de 73 pagina’s tellende uitspraak iedereen een beetje gelijk en een beetje ongelijk. De Nederlandse staat heeft onrechtmatig gehandeld en wordt daardoor medeverantwoordelijk gehouden voor wat er in Srebrenica is gebeurd. Maar dit betreft alleen de bescherming van een groep van 350 moslimmannen die door Bosnische Serviërs zijn omgebracht en niet alle naar schatting 7.000 slachtoffers, zoals de nabestaanden stelden.

De hogere rechter schat bovendien de kans dat de dood van 350 moslimmannen had kunnen worden voorkomen bij afdoende bescherming lager in dan de gewone rechter drie jaar geleden. Daarom ook is de gevraagde schadevergoeding beperkt ten opzichte van de eerste uitspraak.

Voortzetting van de zaak tot aan de hoogste rechter, de Hoge Raad, behoort tot de reële mogelijkheden. Of de nabestaanden dit zullen doen is de vraag. Volgens hun advocaat Simon van der Sluis „moet het een keer ophouden”. Het heeft voor de advocaten wellicht meer zin zich op de hoogte van de schadevergoeding te concentreren die door het hof is vastgesteld op 30 procent van de geleden schade. Dat percentage is gekoppeld aan de kans dat de slachtoffers aan hun dood hadden kunnen ontkomen als ze niet van Nederlandse compound waren weggestuurd. Deze schat het hof op 30 procent. Een getal gebaseerd op het gegeven dat de VN sinds juni 1995 nog maar in 30 procent van de voedselbehoefte in Srebrenica kon voorzien.

Gevolgen uitzendingen

Vanwege de principiële kanten aan de uitspraak van het gerechtshof over aansprakelijkheid en de gevolgen daarvan voor het uitzenden van Nederlandse militairen naar internationale missies, valt te bezien of de Nederlandse staat zich bij het jongste oordeel zal neerleggen. De uitspraak zal „zorgvuldig” worden bestudeerd, luidde de eerste reactie van de zijde van de Nederlandse staat.

Want in hoeverre zal Nederland nog militairen willen uitzenden voor vredesoperaties in conflictgebieden als dit de gevolgen zijn? Waarbij overigens geldt dat na de gebeurtenissen in Srebrenica de wijze van optreden door Nederlandse militairen in internationaal verband al „ingrijpend is veranderd”, zoals minister Hennis (Defensie, VVD) drie jaar geleden aan de Tweede Kamer schreef.

Na alle kritische onderzoeksrapporten is door opeenvolgende Nederlandse kabinetten steeds gesteld dat er maar één schuldige is voor het drama in Srebrenica. Dat waren de Bosnische Serviërs die de misdaden hebben begaan. Bovendien, aldus de Nederlandse lezing, konden de Nederlandse militairen in juli 1995 niets uitrichten tegen de troepen van Mladic omdat de beloofde luchtsteun van VN-partners uitbleef.

Maar drie jaar geleden sprak de rechtbank uit dat de Nederlandse militairen belast waren met de verdediging van de enclave en wel degelijk medeverantwoordelijk konden worden gehouden voor de dood van 350 Bosniërs die op 13 juli nog op de Nederlandse compound verbleven. Door mee te werken aan hun uitlevering aan Bosnische Serviërs die de enclave hadden ingenomen heeft de Nederlandse staat onrechtmatig gehandeld, luidde toen het verstrekkende oordeel.

In hoger beroep heeft het gerechtshof dit oordeel bevestigd. De staat heeft onrechtmatig gehandeld „door op 13 juli 1995 de afscheiding van de mannelijk vluchtelingen door de Bosnische Serven te vergemakkelijken”, zegt nu ook het gerechtshof. De militairen van het Dutchbat-bataljon hadden kunnen of moeten weten dat het „reële risico” bestond dat „mannelijke vluchtelingen zouden worden blootgesteld aan een onmenselijke behandeling of executie”, luidt de harde conclusie.