Moed en overtuiging (2)

Barbara Henry zal in de geschiedschrijving eindigen als een voetnoot bij een voetnoot, maar ze verdient een apart hoofdstuk. Ik leerde haar naam pas kennen toen ik me verdiepte in de geschiedenis van Ruby Bridges, over wie ik gisteren schreef. De 6-jarige Ruby trotseerde de woede van veel witte volwassenen, doordat zij in 1960 als eerste zwart meisje naar een witte school in New Orleans ging.

Ruby’s vader was ertegen geweest, maar haar moeder zette door. Zij was ervan overtuigd dat Ruby na deze school betere toekomstkansen zou hebben. Omringd door politiemensen gingen ze op maandag 14 november 1960 naar de William Frantz Elementary School, waar ze door een haag van tierende mensen moesten. „Ruby Nell”, had haar moeder tevoren gezegd, „wees niet bang, er zullen wat mensen buiten staan, maar ik ben bij je.”

Er bestaat een aangrijpende foto waarop Ruby, een schooltas in de hand, de trappen van de school afdaalt, terwijl ze begeleid wordt door drie politiemensen. Haar moeder kon al op de derde dag niet meer meegaan, ze moest naar haar werk. Op de tweede dag had zich een jonge, witte vrouw bij Ruby gemeld. „Goede morgen, Ruby Nell, ik ben je nieuwe onderwijzeres, juffrouw Henry.”

Ruby had nooit eerder een witte leerkracht gezien.

Barbara Henry was op slag verliefd op Ruby, dat vertederende zwarte meisje in roze kleertjes. „Als kinderen verlegen zijn, doen ze hun hoofd een beetje omhoog. Genoeg voor mij om haar prachtige bruine ogen te zien en haar magnetische lach.”

Henry had gestudeerd in Boston, ze was gewend aan geïntegreerd onderwijs. Ze gaf les aan kinderen van Amerikaanse militairen in Parijs, trouwde met een militair en volgde hem naar Louisiana, waar ze solliciteerde naar de baan in New Orleans. De schooldirecteur vroeg of het haar wat uitmaakte dat de segregatie op de school zou worden opgeheven. Ze vond het maar een rare vraag. Omdat de witte ouders hun kinderen terugtrokken en de andere onderwijzers Ruby geen les wilden geven, bracht Henry dat schooljaar elke dag alleen met Ruby door. „Naast haar in de klas kon ik de wereld buiten vergeten”, herinnerde Ruby zich later. „Ze maakte de school leuk. We deden alles samen. Ik kon niet naar het schoolplein, dus deden we spelletjes in de klas en lichaamsoefeningen op muziek.”

„We creëerden onze eigen oase van liefde en leren”, zei Henry, „ons hart was vrij van vooroordeel, dat was de band die ons verenigde.” Henry probeerde Ruby soms iets over integratie te vertellen. „Sommige mensen weten niet beter en zijn bang”, zei ze, „maar niet iedereen is zo”.

Bij het tweede schooljaar was alles opeens anders. De protesten waren geluwd, Ruby kreeg witte klasgenoten. Maar uitgerekend juffrouw Henry kwam niet terug; de school had haar ontslagen. Op grond waarvan? Dat vermeldt de geschiedenis niet.

Ze zagen elkaar pas in 1996 terug, bij Oprah Winfrey. „Het was een droevige, angstige tijd”, zei Henry, „maar we maakten er samen toch een geweldige tijd van.”

In geen enkel interview met haar dat ik las of zag, liet ze zich ergens op voorstaan. Ze beschouwde haar houding van destijds als iets vanzelfsprekends. Misschien is juist dát het waarmerk van haar grootheid.