Cultuur

Interview

Interview

‘Ik weet niet meer wat van Mathieu komt en wat van mij’

Arnaud Desplechin

De Franse regisseur maakte erudiete films, vaak met Mathieu Amalric als zijn alter ego. In ‘Les fantômes d’Ismaël’ is Amalric te zien als filmregisseur met een ingewikkeld liefdesleven.

De Franse regisseur Arnaud Desplechin maakt erudiete films, die bol staan van verwijzingen naar beeldende kunst, literatuur en film. Zo ook weer in Les fantômes d’Ismaël, waarin Mathieu Amalric – zoals in vrijwel alle films van Desplechin – het alter ego van de regisseur speelt. Hier is Amalric te zien als de chaotische filmmaker Ismaël, die een nieuwe geliefde vindt in Sylvia (Charlotte Gainsbourg). Maar juist op dat moment duikt zijn vrouw Carlotta (Marion Cotillard) op, die twintig jaar vermist was. De emotionele verwarring is compleet. Ondertussen werkt Ismaël ook nog aan een nieuwe film, die is geïnspireerd op het spannende leven van zijn broer als spion. Scènes daaruit zijn in Les fantômes d’Ismaël te zien als film in de film.

Desplechin (Roubaix, 1960) was de eerste filmmaker die Mathieu Amalric een plek voor de camera gaf – in zijn tweede film Comment je me suis disputé… (ma vie sexuelle) uit 1996. Dat bleek een gouden greep: Amalric is inmiddels een van de meest gevierde acteurs van de Franse film. Desplechin en Amalric maakten tot nu toe zes films samen, waarvan Rois et Reine (2004) en Un conte de Noël (2008) nog altijd de hoogtepunten zijn.

„Na al die jaren weet ik niet meer wat in een film afkomstig is van hem en wat van mij komt. Dat is misschien ook een goede definitie van vriendschap”, zegt Desplechin na de première van zijn film op het filmfestival van Cannes. „Ik kan inmiddels ook niet meer ontkennen dat hij mijn alter ego speelt in mijn films, al zou ik dat misschien wel willen.”

Desplechin praat snel en zijn gedachten springen alle kanten op, precies zoals zijn films ook een aangenaam wispelturige, lichtelijk chaotische indruk maken. „Ik hou niet van het idee dat sommige kunst heel voornaam en nobel zou zijn, en dat andere kunstvormen juist nederig zouden zijn. Daarom hoor je in mijn films Beethoven, maar ook hiphop. Film is van huis uit een nederige kunstvorm, maar ik haal overal elementen vandaan voor mijn films, ook uit de traditionele, verheven kunstvormen, zoals poëzie, romans, en schilderkunst. Om zulke uiteenlopende elementen bij elkaar te brengen, is volgens mij een van de belangrijkste functies van film. Dat kan een film echt verrijken. In de film speelt de abstracte schilderkunst van Jackson Pollock een belangrijke rol, maar er zit ook een spannend verhaal in over spionnen.”

Heftige nachtmerries

Ismaël lijdt in de film aan heftige nachtmerries – ook dat staat dicht bij Desplechin zelf. „Ik heb zelf ook zo’n periode gehad waarin ik veel last had van nachtmerries. Na een sterfgeval in mijn naaste omgeving heb ik er twee jaar last van gehad. Ik droomde niet over de persoon die was overleden, het was meer alsof ik in elke droom in gevecht was met mezelf, alsof ik mezelf kwaad wilde doen. Dat was elke keer weer vreselijk.

„In die tijd heb ik net als Ismaël in de film het grote boek van Freud gelezen over dromen, Die Traumdeutung. Ik ben toen tot de conclusie gekomen dat er helemaal geen verklaring bestaat voor nachtmerries. Die Traumdeutung is het dikste boek dat Freud heeft geschreven. Maar Freud geeft geen enkele geloofwaardige verklaring van hoe nachtmerries ontstaan.”

Een Franse filmmaker voelt Desplechin zich vooral als hij in het buitenland verblijft, zegt hij. „Als ik in Japan ben, zeggen mensen tegen me dat ik zo Frans ben. Ik geloof dat ook wel. Maar in Frankrijk heb ik dat besef veel minder. Voor filmmakers van mijn generatie was Maurice Pialat een god. Hij is dat in Frankrijk nog steeds. Maar zelf kon ik helemaal niet uit de voeten met zijn realisme. Vreemd genoeg heb ik pas mijn weg gevonden als filmmaker, toen ik de cinema van de generatie van mijn grootouders ontdekte: dat waren de films van de nouvelle vague. Die films heb ik pas voor het eerst gezien toen ik 25 was. Dat was voor mij een veel bruikbaarder model, omdat die films, vooral de films van François Truffaut, veel dichter bij de romankunst staan.

“Ik geloof niet in realisme. Ik hou op zich wel van realistische films. Ik bewonder de films van Abdellatif Kechiche zoals La vie d’Adèle enorm. Hij is de grootste levende Franse regisseur. Daar kan helemaal geen twijfel over bestaan. Maar realisme is maar één manier van naar de wereld kijken, het is niet de enige manier. Mijn films hebben meer een literair karakter. Ik ben er ook niet bang voor om veel woorden te gebruiken in mijn films. Voor mij bestaat er geen grote tegenstelling tussen literatuur en film.”