Het gruwelwerk van true detectives

Promotieonderzoek

Henk Sollie bekeek hoe kinderporno- en forensisch rechercheurs zich mentaal staande houden, ondanks de gruwelen in hun werk.

De realiteit van hun werk is duister, maar daar hebben forensische rechercheurs geen last van. Foto GinoPress/ANP

In Alledaagse magie citeert organisatiepsycholoog Henk Sollie een forensisch rechercheur: „Van de week stond ik op een kruising, waar vlakbij een jongen zich had verhangen. De buren kwamen toen klagen over stank en vliegen. Het was zomer en de jongen hing er al enige tijd. Later sta ik daar, en zie ik ineens die jongen weer voor me. Mijn vrouw zegt ook: ‘Waar we ook komen, je hebt overal zaken gehad. Hou eens op daarover te vertellen.’ Het zit toch in mijn onderbewustzijn. Niet dat ik daar last van heb, maar ik onthoud het allemaal wel.”

Dit citaat zal alle 1.200 forensisch rechercheurs in Nederland bekend in de oren klinken. Risico van het vak, zeggen ze dan schouderophalend.

Die risico’s intrigeren Henk Sollie. Hoe houden rechercheurs, die dagelijks de gruwelijkste beelden en scènes aanschouwen, dat mentaal vol? Omdat de politieorganisatie dat ook graag wilde weten, om rechercheurs de juiste steun te kunnen geven, ging Sollie vanuit de Politieacademie en de universiteit van Leuven in 2013 op onderzoek uit. Hij interviewde dertig kinderpornorechercheurs en vijf leidinggevenden en liep ruim 330 uur met ze mee. De twee jaar erna waren de forensisch rechercheurs aan de beurt.

Naast vijf leidinggevenden sprak hij met 54 van hen en observeerde 440 uur lang hoe ze hun werk doen, van verhanging en mortuarium tot ‘treinlijk’ en sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut.

Vanwege de vertrouwelijke aard van hun werk kunnen ze niet alles vertellen aan buitenstaanders.

Vrijdag promoveert hij aan de KU Leuven op het resultaat, een intieme inkijk in de psyche van forensisch en kinderpornorechercheurs. Sollie: „Dat komt omdat ze praatten met een oprecht geïnteresseerde, die zag wat zij zagen. Weinig mensen willen echt weten wat zij meemaken, en daarnaast kunnen ze vanwege de vertrouwelijke aard van hun werk niet alles vertellen aan buitenstaanders.”

Puzzelen

Die buitenstaander heeft een romantisch beeld van het forensisch werk, gevoed door populaire series als The Killing en True Detective. Hun tv-tegenhangers zijn getroubleerde eenlingen vol innerlijke littekens. Touch darkness, and darkness touches you, luidt de ondertitel van True Detective. „Dat strookt totaal niet met de werkelijkheid”, zegt Sollie resoluut. Ja, de realiteit van hun werk is duister, beaamt hij, maar daar hebben forensisch rechercheurs weinig tot geen last van. Door zich te richten op het vinden van bewijs, worden ze immers geen onderdeel van de duisternis, maar van de oplossing.

Ik ga niet denken dat daar een dood mens ligt. Ik focus op het vinden en veiligstellen van sporen.

Zo zegt forensisch rechercheur Nienke (een pseudoniem) in het onderzoek: „Niet dat ik niet erg vind wat er gebeurd is, maar ik zet dat opzij. Ik ga niet denken dat daar een dood mens ligt. Ik focus op het vinden en veiligstellen van sporen.” Emoties zitten hun in de weg, vandaar dat de meesten contact met nabestaanden overlaten aan de tactische rechercheurs: „Anders krijgt de dode, tot dat moment een stinkend object, een verhaal”, aldus rechercheur Maarten.

Veruit de meeste forensisch rechercheurs uit Sollies onderzoek zijn boven de 40 jaar. De hoge leeftijd is meteen ook de achilleshiel: het personeelsbestand vergrijst en er komen te weinig forensisch rechercheurs bij. Met als gevolg dat de piketdiensten – de nachten waarin een rechercheur oproepbaar moet zijn – in sommige teams onder slechts zes man verdeeld kunnen worden, omdat de ouderen vanaf 55 jaar het nachtwerk mogen laten schieten.

Emotioneel harnas

Alle forensisch rechercheurs kiezen weloverwogen voor deze politietak: aanmelding is vrijwillig en wordt niet afgedwongen. „Die zelfselectie werkt heel goed, al blijft het afwachten of ze de dagelijkse confrontatie met lijken echt aan kunnen”, zegt Sollie. „Komt een rechercheur zijn inwerkperiode zonder kleerscheuren door, dan blijft hij vaak jarenlang.”

Ook binnen hun werkzaamheden functioneren de forensisch rechercheurs redelijk autonoom. Zo mogen ze zaken weigeren als die te dichtbij komen. „Als het bijvoorbeeld gaat om een jong kind”, legt onderzoeker Sollie uit, „en de rechercheur in kwestie heeft een kleinkind van dezelfde leeftijd. Of als de overledene een bekende is. Ze schakelen dan meteen een collega in.” Die onderlinge steun is essentieel. „Er heerst geen machocultuur”, zegt Sollie. „Ze praten over wat ze dwarszit met elkaar, met hun leidinggevende en in sommige teams jaarlijks ook nog met een psycholoog. Ook hun gitzwarte humor houdt ze overeind.

Wat forensisch rechercheurs ‘voor’ hebben op kinderpornorechercheurs is dat ze weten waar ze op afgaan. Waar kinderpornorechercheurs na iedere muisklik iets vreselijks kunnen zien of horen, krijgen hun forensische collega’s tevoren een uitgebreide beschrijving door de agenten in uniform. Dat werkt als het aantrekken van een emotioneel harnas: „Je weet al of iemand een mes in zijn rug heeft of in welke ruimte diegene hangt”, citeert Sollie een rechercheur. „Het is voorspelbaar.”

Dat mag zo zijn, de omstandigheden waaronder ze hun werk moeten doen, zijn zwaar. Ze werken buiten, in de vrieskou, regen of hitte, waar iets simpels als uitrusten met een kop koffie door camera’s of nieuwsgierige omstanders genadeloos geregistreerd wordt. Of ze werken binnen in een krappe of smerige ruimte waar ze geen bewijsmateriaal mogen verknoeien. En dan is er ook de ranzigheid: lijkvocht, ontlasting, uiteengespatte lichaamsdelen, verrotting en ongedierte, alles onprettig dichtbij. Daartegen raken ze snel gehard. Alles went, ook een lijk.