Column

Gedupeerd in ‘n ‘flits’: tijd voor massaclaim?

Laat die kurken maar knallen. Vakbond FNV vierde afgelopen week voor de tweede maal in één maand een juridische overwinning die de belangen van werknemers in de altijd onoverzichtelijke situatie van een (dreigend) faillissement moet versterken. Champagne! Al betwijfel ik of de FNV het soort organisatie is waar het bestuur de flessen vanzelfsprekend koud heeft staan.

Bij beide gewonnen zaken sprak de FNV in een persbericht over een „historische uitspraak”. Vakbonden deden in tegenstelling tot beleggersbond VEB nooit zoveel aan principiële rechtszaken die wel tijd kosten, maar geen boter bij de vis opleveren. Maar kennelijk heeft men nu de smaak te pakken.

Wat zijn de twee zaken? Drie weken geleden kreeg de ondernemingsraad van drogisterijketen DA van de Hoge Raad gelijk. De ondernemingsraad vond dat zij ten onrechte van de curator geen advies had mogen geven toen de keten eind 2015 in een vloek en een zucht na faillissement werd verkocht. De tweede zaak is Estro. Afgelopen week won de FNV met vier ex-werkneemsters van het failliete kinderdagopvangbedrijf bij het Europees Hof in Luxemburg.

De Estro-zaak draaide om de gevolgen van een zogeheten flitsfaillissement. Het Hof maakte feitelijk een einde aan deze Nederlandse praktijk, die in de economische crisis tientallen malen door werkgevers is toegepast. Het flitsfaillissement heeft geen wettelijke basis. Dat speelt een hoofdrol in de afwijzing door het Europees Hof. Toch iets om eens over na te denken voor de rechters, curatoren, investeerders en ondernemingen die daar de afgelopen jaren desondanks gebruik van hebben gemaakt.

In zo’n flitsfaillissement wordt het bankroet van te voren bekokstoofd, inclusief een beoogd curator. De huidige eigenaar zoekt een koper voor de boedel, terwijl de beoogd curator over zijn schouder meekijkt. Dat moet de waarde van de onderneming intact laten. Als men tot een doorstart komt is dat goed voor schuldeisers, maar ook redding van banen. Bij Smallsteps, de nieuwe eigenaar van Estro, konden 2.600 mensen aan de slag. Maar een deel van de werknemers verdwijnt bij het gekunselde bankroet van hun baas tussen wal en schip. Bij Estro overkwam dat 1.000 werknemers.

Flitsfaillissementen hebben een slechte naam gekregen. Om twee redenen. De nieuwe eigenaar na het faillissement bleek regelmatig gelieerd aan de oude. Dan was het bankroet een soort balletje-balletje, maar dan geen fopspelletje met muntjes, maar met hele bedrijven. De tweede reden was het misbruik. Het flitsfaillissement bleek een effectieve truc om arbeidsvoorwaarden uit te kleden voor het personeel dat zijn werk behield en om mensen te lozen, die de baas toch al kwijt wilde, zoals 40-plussers.

De vraag is hoeveel soelaas de juridische overwinningen aan individuele werknemers bieden. Bij Estro/Smallsteps biedt het in navolging van woekerpolisverzekerden en sjoemeldieselkopers wellicht materiaal voor een ‘massaclaim’ bij de nieuwe en vorige eigenaren.

Op politiek niveau zal het wetsontwerp dat het flitsfaillissement wél een juridische basis moet geven nu zelf een doorstart moeten maken. De vakbond en/of de ondernemingsraad zal een wezenlijke rol moeten kunnen spelen als een onderneming of delen daarvan in een faillissement worden verkocht. Dat doet ook recht aan het herstellen van evenwichtiger sociale en economische verhoudingen. Die zijn de afgelopen jaren doorgeslagen naar de kant van eigenaren en werkgevers, zoals ook blijkt uit het toegenomen aandeel van winsten en financieel inkomen ten koste van lonen.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie